حِصْنُ المُسْلِمِ
مِنْ أَذْكَارِ الكِتَابِ وَالسُّنَّةِ
Hiesn moslim de adhkar(gedenkingen) uit de Koran en de Soenna
د. سَعِيدُ بْنُ عَلِيِّ بْنِ وَهْفٍ الْقَحْطَانِيُّ
De afhankelijke van Allah de Verhevene.
Dr. Saïd ibn Ali ibn Wahf al-Qahtani
بِسْمِ اللهِ الرَّحمَنِ الرَّحِيمِ
Hiesnoe Al-Meslim: De adhkar(gedenkingen) uit de Koran en de Soenna
In de naam van Allah, de Barmhartige, de Genadevolle
Inleiding
Alle lof zij Allah, Wij prijzen Hem, zoeken Zijn hulp en vragen Zijn vergiffenis. Wij zoeken toevlucht bij Allah tegen de kwade invloeden van onze zielen en de slechte gevolgen van onze daden. Wie Allah leidt, er is geen misleider voor hem, en wie Hij doet dwalen, er is geen gids voor hem. Ik getuig dat er geen god is dan Allah, Hij is alleen, zonder partner. En ik getuig dat Mohammed Zijn dienaar en Boodschapper is. Moge Allah hem zegenen, evenals zijn familie en metgezellen, en hen die hen volgen in goedheid tot de Dag des Oordeels. En moge Hij hen vele zegeningen schenken. Wat daarna volgt:
Dit is een samenvatting die ik heb gemaakt van mijn boek: De smeekbeden, doe'a en genezing door rituelen uit de Koran en de Soenna1. Ik heb hierin het gedeelte over de gedenkwaardige uitspraken ingekort, zodat het gemakkelijk te dragen is tijdens het reizen.
Ik heb mij beperkt tot de tekst van de dhikr en heb mij in de verklaring ervan beperkt tot het vermelden van één of twee bronnen die in het origineel te vinden zijn. Wie meer informatie over de metgezel of een uitgebreiding over de overlevering wil, kan het origineel raadplegen. En ik vraag Allah, de Almachtige, door Zijn mooie namen en verheven eigenschappen, om het puur voor Zijn edele gelaat te maken en om mij erdoor te baten in mijn leven en na mijn overlijden en om degenen die het lezen, drukken of bijdragen aan de verspreiding ervan ermee te zegenen; waarlijk, Hij is de Wederhouder van dit alles en in staat om het te verwezenlijken. Moge Allah zegeningen en vrede brengen over onze Profeet Mohammed, over zijn familie, zijn metgezellen en degenen die hen volgen met weldoen tot de Dag van het Oordeel.
De auteur
Opgesteld in de maand Safar 1409 n.H.
***
De verdienste van de dhikr
(het gedenken van Allah)
Allah, de Verhevene, zei:
﴿فَٱذۡكُرُونِيٓ أَذۡكُرۡكُمۡ وَٱشۡكُرُواْ لِي وَلَا تَكۡفُرُونِ 152﴾
(Gedenk Mij (in jullie gebeden) daarom, dan zal Ik jullie gedenken, en wees Mij dankbaar (voor de gunsten door gehoorzaamheid) en wees Mij niet ondankbaar (door zondigheid)2.
﴿يَٰٓأَيُّهَا ٱلَّذِينَ ءَامَنُواْ ٱذۡكُرُواْ ٱللَّهَ ذِكۡرٗا كَثِيرٗا41﴾
(O jullie die geloven! Gedenk Allah veelvuldig)3.
﴿...وَالذَّاكِرِينَ اللَّهَ كَثِيرًا وَالذَّاكِرَاتِ أَعَدَّ اللَّهُ لَهُم مَّغْفِرَةً وَأَجْرًا عَظِيمًا﴾
(en de mannen en vrouwen die Allah veelvuldig gedenken met hun harten en hun tongen (na het gebed en tijdens de nacht): voor hen heeft Allah vergiffenis voorbereid, (gevolgd door) een grote beloning (in het Paradijs) )4
﴿وَٱذۡكُر رَّبَّكَ فِي نَفۡسِكَ تَضَرُّعٗا وَخِيفَةٗ وَدُونَ ٱلۡجَهۡرِ مِنَ ٱلۡقَوۡلِ بِٱلۡغُدُوِّ وَٱلۡأٓصَالِ وَلَا تَكُن مِّنَ ٱلۡغَٰفِلِينَ 205﴾
(En gedenk jullie Heer in jezelf, nederig en met vrees, zonder luidruchtigheid van woorden, in de ochtenden en in de avonden en behoor niet tot degenen die onachtzaam zijn)5.
En de Profeet (vrede zij met hem) zei:
«مَثَلُ الَّذِي يَذْكُرُ رَبَّهُ، وَالَّذِي لَا يَذْكُرُ ربَّهُ، مَثَلُ الحَيِّ وَالمَيِّتِ».
(Het voorbeeld van degene die zijn Heer gedenkt en degene die zijn Heer niet gedenkt, is als het voorbeeld van de levende en de dode)6،
En hij (vrede zij met hem) zei:
«أَلَا أُنبِّئُكُم بِخَيْرِ أَعْمَالِكُمْ، وَأَزْكَاهَا عِنْدَ مَلِيكِكُمْ، وَأَرْفَعِهَا فِي دَرَجَاتِكُمْ، وَخَيْرٍ لَكُمْ مِنْ إِنْفَاقِ الذَّهَبِ وَالوَرِقِ، وَخَيْرٍ لَكُمْ مِنْ أَنْ تَلْقَوْا عَدُوَّكُمْ فَتَضْرِبُوا أَعْنَاقَهُمْ وَيَضْرِبُوا أَعْنَاقِكُم؟» قَالُوا بَلَى. «ذِكْرُ اللَّهِ تَعَالَى».
(Zal ik jullie niet vertellen over de beste van jullie daden, de zuiverste ervan bij jullie Heer, de hoogste in jullie graden, beter voor jullie dan het uitgeven van goud en zilver en beter voor jullie dan het ontmoeten van jullie vijand, zodat jullie hun nekken slaan en zij de uwe slaan?" Zij zeiden: "Ja, zeker." Hij zei: "Het gedenken van Allah, de Verhevene)7.
En hij (vrede zij met hem) zei:
«يَقُولُ اللَّهُ تَعَالَى: أَنَا عِنْدَ ظَنِّ عَبْدِي بِي، وَأَنَا مَعَهُ إِذَا ذَكَرَنِي، فَإِنْ ذَكَرَنِي فِي نَفْسِهِ، ذَكَرْتُهُ فِي نَفْسِي، وَإِنْ ذَكَرَنِي فِي مَلَأٍ ، ذَكَرْتُهُ فِي مَلَأٍ خَيْرٍ مِنْهُمْ، وَإِنْ تَقَرَّبَ إِلَيَّ شِبْرًا، تَقَرَّبْتُ إِلَيْهِ ذِرَاعًا، وَإِنْ تَقَرَّبَ إِلَيَّ ذِرَاعًا، تَقَرَّبْتُ إِلَيْهِ بَاعًا، وَإِنْ أَتَانِي يَمْشِي أَتَيْتُهُ هَرْوَلَةً».
(Allah, de Verhevene, zegt: 'Ik ben zoals Mijn dienaar over Mij denkt en Ik ben met hem wanneer hij Mij gedenkt. Als hij Mij in zichzelf gedenkt, gedenk Ik hem in Mijzelf. Als hij Mij in een gezelschap gedenkt, gedenk Ik hem in een gezelschap beter dan het hunne. Als hij een handbreedte naar Mij toe komt, kom Ik een onderarmlengte naar hem toe. Als hij een onderarmlengte naar Mij toe komt, kom Ik een armlengte naar hem toe. En als hij naar Mij toe wandelt, kom Ik naar hem toe rennend)8.
En overgeleverd van Abdellah ibn Boesr (Mag Allah tevreden zijn met hem), dat een man zei: "O Boodschapper van Allah, de voorschriften van de Islam zijn talrijk voor mij geworden, vertel mij iets waaraan ik mij kan vasthouden." Hij zei: (Laat je tong voortdurend vochtig zijn door het gedenken van Allah).
«لَا يَزَالُ لِسَانُكَ رَطْبًا مِنْ ذِكْرِ اللَّهِ».
"Laat je tong altijd vochtig blijven met het gedenken van Allah"9.
En hij (vrede zij met hem) zei:
«مَنْ قَرَأَ حَرْفًا مِنْ كِتَابِ اللَّهِ فَلَهُ بِهِ حَسَنَةٌ، وَالحَسَنَةُ بِعَشْرِ أَمْثَالِهَا، لَا أَقُولُ: ﴿الــم﴾ حَرْفٌ، وَلَكِنْ: أَلِفٌ حَرْفٌ، وَلَامٌ حَرْفٌ، وَمِيْمٌ حَرْفٌ».
(Wie een letter uit het Boek van Allah reciteert, krijgt daarvoor een goede daad en elke goede daad wordt tienvoudig beloond. Ik zeg niet dat (Alif, Laam, Miem) één letter is, maar alief is een letter, laam is een letter, en miem is een letter)10.
En overgeleverd van Oeqbah ibn 'Aamir (Mag Allah tevreden zijn met hem), hij zei: "De Boodschapper van Allah (vrede zij met hem) kwam naar buiten terwijl wij in de Soeffa waren en hij zei: (Wie van jullie zou graag elke ochtend naar Boethaan of Al-'Aqiq gaan en daar vandaan terugkeren met twee hoogzwangere kamelen, zonder zonde te begaan of familiebanden te verbreken?) Wij zeiden: 'O Boodschapper van Allah, wij zouden dat graag willen.' Hij zei: (Zou dan niet een van jullie 's ochtends naar de moskee kunnen gaan om twee verzen uit het Boek van Allah, de Almachtige en Majesteitelijke, te leren of te reciteren? Dat is beter voor hem dan twee kamelen, drie [verzen] zijn beter voor hem dan drie [kamelen], vier zijn beter voor hem dan vier en zo verder naar verhouding van hun aantal).
«أَيُّكُمْ يُحِبُّ أَنْ يَغْدُوَ كُلَّ يَوْمٍ إِلَى بُطْحَانَ، أَوْ إِلَى العَقِيقِ، فَيَأْتيَ مِنْهُ بِنَاقَتَيْنِ كَوْمَاوَيْنِ فِي غَيْرِ إِثْمٍ وَلَا قَطِيعَةِ رَحِمٍ؟»
Wie van jullie zou graag elke ochtend naar Boethaan of Al-'Aqiq gaan en daar vandaan terugkeren met twee hoogzwangere kamelen, zonder zonde te begaan of familiebanden te verbreken? Wij antwoordden: "O Boodschapper van Allah, dat willen wij graag, en hij zei":
«أَفَلَا يَغْدُو أَحَدُكُمْ إِلَى المَسْجِدِ فَيَعْلَمَ، أَوْ يَقْرَأَ آيَتَيْنِ مِنْ كِتَابِ اللَّهِ عز وجل خَيْرٌ لَهُ مِنْ نَاقَتَيْنِ، وَثَلاثٌ خَيْرٌ لَهُ مِنْ ثَلَاثٍ، وَأَرْبَعٌ خَيْرٌ لَهُ مِنْ أَرْبَعٍ، وَمِنْ أَعْدَادِهِنَّ مِنَ الإِبِلِ».
"Zou dan niet een van jullie 's ochtends naar de moskee kunnen gaan om twee verzen uit het Boek van Allah, de Almachtige en Majesteitelijke, te leren of te reciteren? Dat is beter voor hem dan twee kamelen, drie zijn beter voor hem dan drie, vier zijn beter voor hem dan vier en zo verder naar verhouding van hun aantal»11.
En hij (vrede zij met hem) zei:
«مَنْ قَعَدَ مَقْعَدًَا لَمْ يَذْكُرِ اللَّهَ فِيهِ، كَانَتْ عَلَيْهِ مِنَ اللَّهِ تِرَةٌ، وَمَنِ اضْطَجَعَ مَضْجِعًا لَمْ يَذْكُرِ اللَّهَ فِيهِ كَانَتْ عَلَيْهِ مِنَ اللَّهِ تِرَةٌ».
(Wie op een plaats zit en daar Allah niet gedenkt, dat zal voor hem een verlies zijn bij Allah. En wie zich neerlegt zonder Allah te gedenken, dat zal voor hem een verlies zijn bij Allah)12
De Profeet (vrede zij met hem) heeft gezegd:
«مَا جَلَسَ قَوْمٌ مَجْلِسًَا لَمْ يَذْكُرُوا اللَّهَ فِيهِ، وَلَمْ يُصَلُّوا عَلَى نَبِيِّهِمْ إِلَّا كَانَ عَلَيْهِمْ تِرَةً، فَإِنْ شَاءَ عذَّبَهُمْ، وَإِنْ شَاءَ غَفَرَ لَهُمْ».
(Er is geen groep die samenkomt zonder Allah te gedenken en de salaat over hun Profeet uit te spreken, of het zal een verlies voor hen zijn. Allah kan hen straffen als Hij dat wil en Hij kan hen vergeven als Hij dat wil)13.
En hij (vrede zij met hem) heeft gezegd:
«مَا مِنْ قَوْمٍ يَقُومُونَ مِنْ مَجْلِسٍ لَا يَذْكُرُونَ اللَّهَ فِيهِ إِلَّا قَامُوا عَنْ مِثْلِ جِيفَةِ حِمَارٍ، وَكَانَ لهُمْ حَسْرةً».
(Er is geen groep die opstaat uit een bijeenkomst waarin zij Allah niet hebben herdacht, of zij staan op alsof zij opstijgen van de kadaver van een ezel en het zal voor hen een bron van spijt zijn)14.
De smeekbeden bij het ontwaken uit de slaap
«الحَمْدُ للَّهِ الَّذِي أَحْيَانَا بَعْدَ مَا أَمَاتَنَا، وَإِلَيْهِ النُّشُورُ».
(Alle lof behoort aan Allah, Die ons tot leven heeft gewekt nadat Hij ons deed sterven en tot Hem is de wederopstanding)15.
«لَا إِلَهَ إِلَّا اللَّهُ وَحْدَهُ لَا شَريكَ لَهُ، لَهُ المُلْكُ وَلَهُ الحَمْدُ، وَهُوَ عَلَى كُلِّ شَيْءٍ قَدِيرٌ، سُبْحَانَ اللَّهِ، وَالحَمْدُ للَّهِ، وَلَا إِلَهَ إِلَّا اللَّهُ، وَاللَّهُ أَكبَرُ، وَلَا حَوْلَ وَلَا قُوَّةَ إِلَّا بِاللَّهِ العَلِيِّ العَظِيمِ، رَبِّ اغْفرْ لِي».
(Er is geen god behalve Allah, Hij alleen, zonder deelgenoten. Aan Hem behoort de heerschappij, aan Hem komt alle lof toe en Hij is tot alles in staat. Glorie zij Allah, alle lof is aan Allah, er is geen god behalve Allah, Allah is de Grootste en er is geen kracht en geen macht behalve bij Allah, de Verhevene, de Almachtige. O mijn Heer, vergeef mij).16
«الحَمْدُ لِلَّهِ الَّذِي عَافَانِي فِي جَسَدِي، وَرَدَّ عَلَيَّ رُوحِي، وَأَذِنَ لِي بِذِكْرِهِ».
(Alle lof zij aan Allah, Die mij gezondheid schonk in mijn lichaam, mijn ziel aan mij teruggaf en mij toestond om Hem te gedenken)17.
﴿إِنَّ فِي خَلۡقِ ٱلسَّمَٰوَٰتِ وَٱلۡأَرۡضِ وَٱخۡتِلَٰفِ ٱلَّيۡلِ وَٱلنَّهَارِ لَأٓيَٰتٖ لِّأُوْلِي ٱلۡأَلۡبَٰبِ190 ٱلَّذِينَ يَذۡكُرُونَ ٱللَّهَ قِيَٰمٗا وَقُعُودٗا وَعَلَىٰ جُنُوبِهِمۡ وَيَتَفَكَّرُونَ فِي خَلۡقِ ٱلسَّمَٰوَٰتِ وَٱلۡأَرۡضِ رَبَّنَا مَا خَلَقۡتَ هَٰذَا بَٰطِلٗا سُبۡحَٰنَكَ فَقِنَا عَذَابَ ٱلنَّارِ 191 رَبَّنَآ إِنَّكَ مَن تُدۡخِلِ ٱلنَّارَ فَقَدۡ أَخۡزَيۡتَهُۥۖ وَمَا لِلظَّٰلِمِينَ مِنۡ أَنصَارٖ 192 رَّبَّنَآ إِنَّنَا سَمِعۡنَا مُنَادِيٗا يُنَادِي لِلۡإِيمَٰنِ أَنۡ ءَامِنُواْ بِرَبِّكُمۡ فَـَٔامَنَّاۚ رَبَّنَا فَٱغۡفِرۡ لَنَا ذُنُوبَنَا وَكَفِّرۡ عَنَّا سَيِّـَٔاتِنَا وَتَوَفَّنَا مَعَ ٱلۡأَبۡرَارِ 193 رَبَّنَا وَءَاتِنَا مَا وَعَدتَّنَا عَلَىٰ رُسُلِكَ وَلَا تُخۡزِنَا يَوۡمَ ٱلۡقِيَٰمَةِۖ إِنَّكَ لَا تُخۡلِفُ ٱلۡمِيعَادَ 194 فَٱسۡتَجَابَ لَهُمۡ رَبُّهُمۡ أَنِّي لَآ أُضِيعُ عَمَلَ عَٰمِلٖ مِّنكُم مِّن ذَكَرٍ أَوۡ أُنثَىٰۖ بَعۡضُكُم مِّنۢ بَعۡضٖۖ فَٱلَّذِينَ هَاجَرُواْ وَأُخۡرِجُواْ مِن دِيَٰرِهِمۡ وَأُوذُواْ فِي سَبِيلِي وَقَٰتَلُواْ وَقُتِلُواْ لَأُكَفِّرَنَّ عَنۡهُمۡ سَيِّـَٔاتِهِمۡ وَلَأُدۡخِلَنَّهُمۡ جَنَّٰتٖ تَجۡرِي مِن تَحۡتِهَا ٱلۡأَنۡهَٰرُ ثَوَابٗا مِّنۡ عِندِ ٱللَّهِۚ وَٱللَّهُ عِندَهُۥ حُسۡنُ ٱلثَّوَابِ 195 لَا يَغُرَّنَّكَ تَقَلُّبُ ٱلَّذِينَ كَفَرُواْ فِي ٱلۡبِلَٰدِ 196 مَتَٰعٞ قَلِيلٞ ثُمَّ مَأۡوَىٰهُمۡ جَهَنَّمُۖ وَبِئۡسَ ٱلۡمِهَادُ 197 لَٰكِنِ ٱلَّذِينَ ٱتَّقَوۡاْ رَبَّهُمۡ لَهُمۡ جَنَّٰتٞ تَجۡرِي مِن تَحۡتِهَا ٱلۡأَنۡهَٰرُ خَٰلِدِينَ فِيهَا نُزُلٗا مِّنۡ عِندِ ٱللَّهِۗ وَمَا عِندَ ٱللَّهِ خَيۡرٞ لِّلۡأَبۡرَارِ 198 وَإِنَّ مِنۡ أَهۡلِ ٱلۡكِتَٰبِ لَمَن يُؤۡمِنُ بِٱللَّهِ وَمَآ أُنزِلَ إِلَيۡكُمۡ وَمَآ أُنزِلَ إِلَيۡهِمۡ خَٰشِعِينَ لِلَّهِ لَا يَشۡتَرُونَ بِـَٔايَٰتِ ٱللَّهِ ثَمَنٗا قَلِيلًاۚ أُوْلَٰٓئِكَ لَهُمۡ أَجۡرُهُمۡ عِندَ رَبِّهِمۡۗ إِنَّ ٱللَّهَ سَرِيعُ ٱلۡحِسَابِ 199 يَٰٓأَيُّهَا ٱلَّذِينَ ءَامَنُواْ ٱصۡبِرُواْ وَصَابِرُواْ وَرَابِطُواْ وَٱتَّقُواْ ٱللَّهَ لَعَلَّكُمۡ تُفۡلِحُونَ 200﴾
(Waarlijk! In de schepping van de hemelen en de aarde en in de afwisseling van de nacht en de dag zijn er waarlijk Tekenen voor mensen van begrip.
Degenen die Allah gedenken, terwijl zij staan, zitten en liggen op hun zij en diep over de schepping van de hemelen en de aarde nadenken (zeggende): “Onze Heer! U hebt dit alles niet zonder "doel geschapen, Glorie zij U. Bescherm ons tegen de bestraffing van het Vuur.
Onze Heer! Waarlijk, degenen die U naar het Vuur verwijst, heeft U waarlijk vernederd en nooit zullen de onrechtvaardigen helpers vinden.
Onze Heer! Waarlijk, wij hebben de oproep van één gehoord, roepend tot het geloof: “Geloof in jullie Heer” en wij hebben geloofd. Onze Heer! Vergeef ons onze zonden en scheld ons onze kwade daden kwijt en laat ons in een toestand van rechtvaardigheid sterven tezamen met degenen die gehoorzaam zijn aan Allah en nauwgezet Zijn bevelen volgen.
Onze Heer! Geef ons wat U ons aan Uw Boodschappers beloofd heeft en verneder ons niet op de Dag der Opstanding, want U breekt nooit (Uw) belofte.
Dus hun Heer heeft hun (smeekbeden) verhoord (en antwoordde hen): “Nooit zal Ik het toestaan dat (de goede) werken van iemand van jullie verloren zal gaan, of het nu om een man of een vrouw gaat. Jullie komen uit elkaar voort. Zij die emigreren en uit hun huizen zijn gedreven en zij die vanwege Mijn zaak zijn vervolgd en zij die vochten en voor Mijn zaak gedood zijn, waarlijk Ik zal hun fouten zeker uitwissen en hen naar de Tuinen verwijzen, waar rivieren onderdoor stromen als een beloning van Allah. En bij Allah zijn de beste beloningen
Laat niet de vrije afhandeling van de ongelovigen in het land jullie bedriegen.
Het is slechts een kort plezier, daarna zal hun uiteindelijke verblijfplaats de Hel zijn en dat is zeker de slechtste rustplaats.
Maar voor degenen die hun Heer vrezen, zijn er Tuinen waar rivieren onderdoor stromen, zij zijn daarin de eeuwig levenden, een ontvangst van Allah. En datgene wat bij Allah is, is het beste voor degenen die Allah gehoorzamen.
En er zijn er onder de mensen van het Boek, die zeker in Allah geloven en in wat aan jou geopenbaard is en in wat aan hen geopenbaard is, zichzelf voor Allah vernederend. Zij verkopen de verzen van Allah niet voor een kleine prijs, voor hen is er een beloning van hun Heer. Zeker Allah is snel in de verrekening.
O, jullie die geloven! Heb geduld en wees standvastig. Sluit de rijen. En vrees Allah, opdat jullie zullen slagen).
[Soera Al-Imran: 190-200]18.
Het smeekgebed bij het aantrekken van kleding.
«الحَمْدُ للَّهِ الَّذِي كَسَانِي هَذَا (الثَّوْبَ) وَرَزَقَنِيهِ مِنْ غَيْرِ حَوْلٍ مِنِّي وَلَّا قُوَّة...».
(Alle lof behoort aan Allah, die mij dit (kledingstuk) heeft geschonken en het mij heeft voorzien zonder enige kracht of macht van mijzelf....)19.
Het smeekgebed bij het aantrekken van nieuwe kleding.
«اللَّهُمَّ لَكَ الحَمْدُ أَنْتَ كَسَوْتَنِيهِ، أَسْأَلُكَ مِنْ خَيْرِهِ وَخَيْرِ مَا صُنِعَ لَهُ، وَأَعُوذُ بِكَ مِنْ شَرِّهِ وَشَرِّ مَا صُنِعَ لَهُ».
(O Allah, aan U behoort alle lof. U bent het die mij dit hebt bekleed. Ik vraag U om het goede ervan en het goede waarvoor het is gemaakt en ik zoek mijn toevlucht bij U tegen het kwaad ervan en het kwaad waarvoor het is gemaakt)20.
De smeekbede voor degene die een nieuw kledingstuk heeft aangetrokken.
«تُبْلِي وَيُخْلِفُ اللَّهُ تَعَالَى».
(Moge het verslijten (maw dat je het lang mag dragen), en moge Allah, de Verhevene, het vervangen)21.
«اِلبَسْ جَدِيدًا، وَعِشْ حَمِيدًا، وَمُتْ شَهِيدًا».
(Draag iets nieuws, leef prijzenswaardig en sterf als martelaar)22.
Wat hij zegt wanneer hij zijn kleding aflegt.
«بِسْمِ اللَّه».
(In de naam van Allah)23.
Smeekbede bij het betreden van het toilet
«[بِسْمِ اللَّهِ] اللَّهُمَّ إِنِّي أَعُوذُ بِكَ مِنَ الخُبْثِ وَالخَبَائِثِ».
([In de naam van Allah] O Allah, ik zoek toevlucht bij U tegen het kwaad en de kwaadaardige wezens)24.
Smeekbede bij het verlaten van het toilet
«غُفْرَانَكَ».
(Uw vergiffenis o Allah)25.
Ad-Dhikr vóór de wassing
«بِسْمِ اللَّهِ».
(In de naam van Allah)26.
Ad-Dhikr na de wassing
«أَشْهَدُ أَنْ لَا إِلَهَ إِلَّا اللَّهُ وَحْدَهُ لَا شَرِيكَ لَهُ وَأَشْهَدُ أَنَّ مُحَمَّدًا عَبْدُهُ وَرَسُولُهُ..».
(Ik getuig dat er geen god is behalve Allah, de Enige, zonder partner en ik getuig dat Mohammed Zijn dienaar en boodschapper is..)27.
«اللَّهُمَّ اجْعَلْنِي مِنَ التَّوَّابِينَ وَاجْعَلْنِي مِنَ المُتَطَهِّرِينَ».
(O Allah, maak mij van de berouwvollen en maak mij van de reinigden)28.
«سُبْحانَكَ اللَّهُمَّ وَبِحَمْدِكَ، أَشْهَدُ أَنْ لَا إِلَهَ إِلَّا أَنْتَ، أَسْتَغْفِرُكَ وَأَتوبُ إِلَيْكَ».
(Heerlijk bent U, O Allah, en geprezen zijt U, ik getuig dat er geen god is behalve U, ik vraag vergiffenis van U en keer tot U in berouw)29.
Ad-Dhikr bij het verlaten van het huis
«بِسْمِ اللَّهِ، تَوَكَّلْتُ عَلَى اللَّهِ، وَلَا حَوْلَ وَلَا قُوَّةَ إِلَّّا بِاللَّهِ».
(In de naam van Allah, ik stel mijn vertrouwen op Allah, er is geen macht en geen kracht behalve door Allah)30.
«اللَّهُمَّ إِنِّي أَعُوذُ بِكَ أَنْ أَضِلَّ، أَوْ أُضَلَّ، أَوْ أَزِلَّ، أَوْ أُزَلَّ، أَوْ أَظْلِمَ، أَوْ أُظْلَمَ، أَوْ أَجْهَلَ، أَوْ يُجْهَلَ عَلَيَّ».
(O Allah, ik zoek toevlucht bij U dat ik dwalend raak, of dat ik anderen tot dwaling breng, of dat ik een steek laat vallen, of dat ik anderen een steek laat vallen, of dat ik onrecht bega, of dat mij onrecht wordt aangedaan, of dat ik onwetend ben, of dat anderen mij onwetend maken)31.
Ad-Dhikr bij het binnenkomen van het huis
«بِسْمِ اللَّهِ وَلَجْنَا، وَبِسْمِ اللَّهِ خَرَجْنَا، وَعَلَى اللَّهِ رَبِّنَا تَوَكَّلْنَا، ثُمَّ لِيُسَلِّمْ عَلَى أَهْلِهِ».
(In de naam van Allah betreden wij, in de naam van Allah verlaten wij en op Allah, onze Heer, stellen wij ons vertrouwen, en daarna laat hij vrede wensen aan zijn familie)32.
Doe'a bij het gaan naar de moskee
«اللَّهُمَّ اجْعَلْ فِي قَلْبِي نُورًا، وَفِي لِسَانِي نُورًا، وَفِي سَمْعِي نُورًا، وَفِي بَصَرِي نُورًا، وَمِنْ فَوْقِي نُورًا، وَمِنْ تَحْتِي نُورًا، وَعَنْ يَمِينِي نُورًا، وَعَنْ شِمَالِي نُورًا، وَمِنْ أَمَامِي نُورًا، وَمِنْ خَلْفِي نُورًا، وَاجْعَلْ فِي نَفْسِي نُورًا، وَأَعْظِمْ لِي نُورًا، وَعَظِّمْ لِي نُورًا، وَاجْعَلْ لِي نُورًا، وَاجْعَلْنِي نُورًا، اللَّهُمَّ أَعْطِنِي نُورًا، وَاجْعَلْ فِي عَصَبِي نُورًا، وَفِي لَحْمِي نُورًا، وَفِي دَمِي نُورًا، وَفِي شَعْرِي نُورًا، وَفِي بَشَرِي نُورًا».
(O Allah, maak in mijn hart licht en in mijn tong licht en in mijn gehoor licht en in mijn zicht licht en boven mij licht en onder mij licht en aan mijn rechterzijde licht en aan mijn linkerzijde licht en voor mij licht en achter mij licht en maak in mijn ziel licht en verhef mijn licht en vergroot mijn licht en maak voor mij licht en maak mij licht, O Allah, geef mij licht en maak in mijn zenuwen licht en in mijn vlees licht en in mijn bloed licht, en in mijn haar licht en in mijn huid licht)33.
«اللَّهُمَّ اجْعَلْ لِي نُورًا فِي قَبْرِي... وَنُورًا فِي عِظَامِي» «وَزِدْنِي نُورًا، وَزِدْنِي نُورًا، وَزِدْنِي نُورًا» «وَهَبْ لِي نُورًا عَلَى نُورٍ».
(O Allah, maak voor mij licht in mijn graf... en licht in mijn botten)34
(En geef mij meer licht, en geef mij meer licht, en geef mij meer licht)35
(En geef mij licht boven licht)36.
Doe'a bij het betreden van de moskee
(Hij begint met zijn rechtervoet)37, en hij zegt:
«أَعُوذُ بِاللَّهِ العَظِيمِ، وَبِوَجْهِهِ الكَرِيمِ، وَسُلْطَانِهِ القَدِيمِ، مِنَ الشَّيْطَانِ الرَّجِيمِ»
(Hij begint met zijn rechtervoet", en hij zegt: Ik zoek toevlucht bij Allah de Almachtige, en bij Zijn nobele gelaat, en bij Zijn oude heerschappij, tegen de vervloekte satan38
«بِسْمِ اللَّهِ، وَالصَّلَاةُ» «وَالسَّلَامُ عَلَى رَسُولِ اللَّهِ»
(In de naam van Allah, en de gebeden)39 (en vrede zij met de Boodschapper van Allah)40
«اللَّهُمَّ افْتَحْ لِي أَبْوَابَ رَحْمَتِكَ».
(O Allah, open voor mij de poorten van Uw genade)41.
Doe'a bij het verlaten van de moskee
(Hij begint met zijn linkervoet )42 en hij zegt : "In de naam van (Allah en zegeningen en vrede zij met de boodschapper van Allah. O Allah, ik vraag U om Uw genade. O Allah, bescherm mij tegen de vervloekte Satan).
«بِسْمِ اللَّهِ وَالصَّلَاةُ وَالسَّلَامُ عَلَى رَسُولِ اللَّهِ،
(In de naam van Allah en vrede en zegeningen zij met de boodschapper van Allah,
اللَّهُمَّ إِنِّي أَسْأَلُكَ مِنْ فَضْلِك،
O Allah, ik vraag U om Uw genade,
اللَّهُمَّ اعْصِمْنِي مِنَ الشَّيْطَانِ الرَّجِيمِ».
"O Allah, bescherm mij tegen de vervloekte Satan"43.
Ad-Dhikr bij de oproep tot het gebed
Hij zegt hetzelfde als de Moeddin, behalve bij "Haay 'ala as-salaah" en "Haay 'ala al-falaah", en zegt dan:
«لَا حَوْلَ وَلَا قُوَّةَ إِلَّا بِاللَّهِ».
(Er is geen kracht en geen macht behalve bij Allah)44.
Hij zegt:(En ik getuig dat er geen god is behalve Allah, de Enige, zonder deelgenoot en dat Mohammed Zijn dienaar en boodschapper is. Ik ben tevreden met Allah als mijn Heer, met Mohammed als boodschapper en met de Islam als mijn religie." Hij zegt dit na de getuigenis van de moeddin).
«وَأَنَا أَشْهَدُ أَنْ لَا إِلَهَ إِلَّا اللَّهُ وَحْدَهُ لَا شَرِيكَ لَهُ وَأَنَّ مُحَمَّدًا عَبْدُهُ وَرَسُولُهُ، رَضِيتُ بِاللَّهِ رَبًَّا، وَبِمُحَمَّدٍ رَسُولًا، وَبِالإِسْلَامِ دِينًَا»
"En ik getuig dat er geen god is behalve Allah, de Enige, zonder deelgenoot en dat Mohammed Zijn dienaar en boodschapper is. Ik ben tevreden met Allah als mijn Heer, met Mohammed als boodschapper en met de Islam als mijn religie."45
(Hij zegt dit na de getuigenis van de moeddin)46.
(Hij stuurt zegeningen over de Profeet (vrede zij met hem) nadat hij de oproep van de moeddin heeft beantwoord)47
Hij zei:
«اللَّهُمَّ رَبَّ هَذِهِ الدَّعْوَةِ التَّامَّةِ، وَالصَّلَاةِ القَائِمَةِ، آتِ مُحَمَّدًا الوَسِيلَةَ وَالفَضِيلَةَ، وَابْعَثْهُ مَقَامًَا مَحمُودًا الَّذِي وَعَدْتَهُ، [إِنَّكَ لَا تُخْلِفُ المِيعَادَ]».
(O Allah, Heer van deze volmaakte oproep en de blijvende gebeden, geef Mohammed het hoogste bereik en de grootste deugd en breng hem naar de geprezen positie die U hem beloofd hebt, voorwaar, U breekt nooit Uw belofte)48.
(Hij bidt voor zichzelf tussen de oproep tot gebed en de opstanding, want het gebed op dat moment wordt niet afgewezen.)49
Doe'a van de opening
«اللَّهُمَّ بَاعِدْ بَيْنِي وَبَيْنَ خَطَايَايَ كَمَا بَاعَدْتَ بَيْنَ المَشْرِقِ وَالمَغْرِبِ، اللَّهُمَّ نَقِّنِي مِنْ خَطَايَايَ كَمَا يُنَقَّى الثَّوْبُ الأَبْيَضُ مِنَ الدَّنَسِ، اللَّهُمَّ اغْسِلْني مِنْ خَطَايَايَ، بِالثَّلْجِ وَالماءِ وَالبَرَدِ».
(O Allah, maak een grote afstand tussen mij en mijn zonden, zoals U de afstand tussen het oosten en het westen hebt gemaakt. O Allah, zuiver mij van mijn zonden zoals een wit kleed wordt gereinigd van vuil. O Allah, was mij van mijn zonden met sneeuw, water en hagel)50.
«سُبْحانَكَ اللَّهُمَّ وَبِحَمْدِكَ، وَتَبارَكَ اسْمُكَ، وَتَعَالَى جَدُّكَ، وَلَا إِلَهَ غَيْرُكَ».
(Glorie zij U, o Allah en lof zij U, en gezegend is Uw naam, en verheven is Uw majesteit, en er is geen god dan U)51.
«وَجَّهْتُ وَجْهِيَ لِلَّذِي فَطَرَ السَّمَوَاتِ وَالأَرْضَ حَنِيفًَا وَمَا أَنَا مِنَ المُشْرِكِينَ، إِنَّ صَلَاتِي، وَنُسُكِي، وَمَحْيَايَ، وَمَمَاتِي لِلَّهِ رَبِّ العَالَمِينَ، لَا شَرِيكَ لَهُ وَبِذَلِكَ أُمِرْتُ وَأَنَا مِنَ المُسْلِمِينَ، اللَّهُمَّ أَنْتَ المَلِكُ لَا إِلَهَ إِلَّا أَنْتَ، أَنْتَ رَبِّي وَأَنَا عَبْدُكَ، ظَلَمْتُ نَفْسِي وَاعْتَرَفْتُ بِذَنْبِي فَاغْفِرْ لِي ذُنُوبي جَمِيعًَا إِنَّهُ لَا يَغْفِرُ الذُّنوبَ إِلَّا أَنْتَ، وَاهْدِنِي لِأَحْسَنِ الأَخْلاقِ لَا يَهْدِي لِأَحْسَنِها إِلَّا أَنْتَ، وَاصْرِفْ عَنِّي سَيِّئَهَا، لَا يَصْرِفُ عَنِّي سَيِّئَهَا إِلَّا أَنْتَ، لَبَّيْكَ وَسَعْدَيْكَ، وَالخَيْرُ كُلُّهُ بِيَدَيْكَ، وَالشَّرُّ لَيْسَ إِلَيْكَ، أَنَا بِكَ وَإِلَيْكَ، تَبارَكْتَ وَتَعَالَيْتَ، أَسْتَغْفِرُكَ وَأَتوبُ إِلَيْكَ».
(Ik wend mijn gezicht tot Hem die de hemelen en de aarde heeft geschapen, in oprechtheid en ik ben geen van de polytheïsten. Voorwaar, mijn gebed, mijn rituelen, mijn leven en mijn dood zijn voor Allah, de Heer van de werelden. Er is geen deelgenoot voor Hem en daarmee ben ik geboden en ik ben een van de moslims. O Allah, U bent de Koning, er is geen god behalve U, U bent mijn Heer en ik ben Uw dienaar. Ik heb mijn ziel onrecht aangedaan en ik erken mijn zonden, dus vergeef mij al mijn zonden, want niemand kan zonden vergeven behalve U. Leid mij naar het beste van de deugden, niemand leidt naar het beste daarvan behalve U en keer het slechte daarvan van mij af, niemand kan het slechte daarvan van mij afwenden behalve U. Heden ben ik er voor U en ben ik verheugd en al het goede is in Uw hand en het kwaad is niet bij U. Ik ben voor U en keer me tot U. Gezegend zijt U en verheven zijt U, ik vraag Uw vergiffenis en ik keer mij tot U)52.
«اللَّهُمَّ رَبَّ جِبْرَائِيلَ، وَمِيْكَائِيلَ، وَإِسْرَافِيلَ، فَاطِرَ السَّمَوَاتِ وَالأَرْضِ، عَالِمَ الغَيْبِ وَالشَّهَادَةِ أَنْتَ تَحْكُمُ بَيْنَ عِبَادِكَ فِيمَا كَانُوا فِيهِ يَخْتَلِفُونَ، اهْدِنِي لِمَا اخْتُلِفَ فِيهِ مِنَ الحَقِّ بِإِذْنِكَ إِنَّكَ تَهْدِي مَنْ تَشَاءُ إِلَى صِرَاطٍ مُسْتَقيمٍ».
(O Allah, Heer van Djibriel, Miika-iel en Israafiel, Schepper van de hemelen en de aarde, Kenner van het onzichtbare en het zichtbare, U oordeelt tussen Uw dienaren over hetgeen waarin zij van mening verschillen. Leid mij naar de waarheid over hetgeen waarin zij van mening verschillen, met Uw toestemming, voorwaar, U leidt wie U wilt naar een rechte weg)53.
«اللَّهُ أَكْبَرُ كَبِيرًَا، اللَّهُ أَكْبَرُ كَبِيرًا، اللَّهُ أَكْبَرُ كَبِيرًا، وَالحَمْدُ لِلَّهِ كَثيرًا، وَالحَمْدُ لِلَّهِ كَثيرًا، وَالحَمْدُ لِلَّهِ كَثيرًا، وَسُبْحَانَ اللَّهِ بُكْرَةً وَأَصِيلًا».
(Allah is de Grootste, zeer Groot, Allah is de Grootste, zeer Groot, Allah is de Grootste, zeer Groot. Alle lof behoort aan Allah, in overvloed, alle lof behoort aan Allah, in overvloed, alle lof behoort aan Allah, in overvloed. Gezegend is Allah, vroeg in de ochtend en in de avond.)
Drie keer
«أَعُوذُ بِاللَّهِ مِنَ الشَّيْطَانِ: مِنْ نَفْخِهِ، وَنَفْثِهِ، وَهَمْزِهِ».
(Ik zoek toevlucht bij Allah tegen de duivel: tegen zijn inademing, zijn uitademing en zijn aandrang)54.
«اللَّهُمَّ لَكَ الحَمْدُ، أَنْتَ نُورُ السَّمَوَاتِ وَالأَرْضِ وَمَنْ فِيهِنَّ، وَلَكَ الحَمْدُ أَنْتَ قَيِّمُ السَّمَوَاتِ وَالأَرْضِ وَمَنْ فِيهِنَّ، [وَلَكَ الحَمْدُ أَنْتَ رَبُّ السَّمَوَاتِ وَالأَرْضِ وَمَنْ فِيهِنَّ] [وَلَكَ الحَمْدُ لَكَ مُلْكُ السَّمَوَاتِ وَالأَرْضِ وَمَنْ فِيهِنَّ] [وَلَكَ الحَمْدُ أَنْتَ مَلِكُ السَّمَوَاتِ وَالأَرْضِ] [وَلَكَ الحَمْدُ] [أَنْتَ الحَقُّ، وَوَعْدُكَ الحَقُّ، وَقَوْلُكَ الحَقُّ، وَلِقاؤُكَ الحَقُّ، وَالجَنَّةُ حَقٌّ، وَالنَّارُ حَقٌّ، وَالنَّبِيُّونَ حَقٌّ، وَمحَمَّدٌ ﷺ حَقٌّ، وَالسَّاعَةُ حَقٌّ] [اللَّهُمَّ لَكَ أَسْلَمتُ، وَعَلَيْكَ تَوَكَّلْتُ، وَبِكَ آمَنْتُ، وَإِلَيْكَ أَنَبْتُ، وَبِكَ خاصَمْتُ، وَإِلَيْكَ حاكَمْتُ. فَاغْفِرْ لِي مَا قَدَّمْتُ، وَمَا أَخَّرْتُ، وَمَا أَسْرَرْتُ، وَمَا أَعْلَنْتُ] [وَمَا أَنْتَ أَعْلَمُ بِهِ مِنِّي] [أَنْتَ المُقَدِّمُ، وَأَنْتَ المُؤَخِّرُ لَا إِلَهَ إِلَّا أَنْتَ] [أَنْتَ إِلَهِي لَا إِلَهَ إِلَّا أَنْتَ] [وَلَا حَوْلَ وَلَا قُوَّةَ إِلَّا بِاللَّهِ]».
(O Allah, U komt alle lof toe55. U bent het Licht van de hemelen en de aarde en wie daarin zijn. [En U komt alle lof toe. U bent de Onderhouder van de hemelen en de aarde en wie daarin zijn.] [En U komt alle lof toe. U bent de Heer van de hemelen en de aarde en wie daarin zijn] [En U komt alle lof toe. Aan U behoort het koninkrijk van de hemelen en de aarde en wie daarin zijn.] [En U komt alle lof toe. U bent de Koning van de hemelen en de aarde.] [En U komt alle lof toe.] [U bent de Waarheid], [Uw belofte is waarheid, Uw woord is waarheid, Uw ontmoeting is waarheid, het Paradijs is waarheid, de Hel is waarheid, de profeten zijn waarheid, Mohammed (vrede zij met hem) is waarheid, en het Uur is waarheid.] [O Allah, aan U heb ik mij overgegeven, op U heb ik vertrouwd, in U heb ik geloofd, tot U heb ik mij gewend, omwille van U heb ik betoogd en bij U heb ik mij laten oordelen. Vergeef mij wat ik al heb gedaan en wat ik later zal doen, wat ik in het verborgene heb gedaan en wat ik openbaar heb gemaakt] [en wat U beter weet dan ik] [U bent Degene Die voorrang geeft en U bent Degene Die uitstelt. Er is geen god behalve U] [U bent mijn God, er is geen god behalve U] [En er is geen kracht noch macht behalve bij Allah])56.
Doe'a tijdens de buiging (roekoe')
«سُبْحانَ رَبِّيَ العَظِيمِ».
"Glorieus is mijn Heer, de Almachtige".
Drie keren57.
«سُبْحَانَكَ اللَّهُمَّ رَبَّنَا وَبِحَمْدِكَ، اللَّهُمَّ اغْفِرْ لِي».
(Heilig bent U, O Allah, onze Heer, en met Uw lof. O Allah, vergeef mij)58.
«سُبُّوُحٌ، قُدُّوسٌ، رَبُّ المَلَائِكَةِ وَالرُّوحِ».
(Heilig, de Volmaakte, Heer van de engelen en de Geest)59.
«اللَّهُمَّ لَكَ رَكَعْتُ، وَبِكَ آمَنْتُ، وَلَكَ أَسْلَمْتُ، خَشَعَ لَكَ سَمْعِي، وَبَصَرِي، وَمُخِّي، وَعَظْمِي، وَعَصَبِي، [وَمَا استَقَلَّتْ بِهِ قَدَمِي]».
(O Allah, voor U heb ik mij gebogen, in U heb ik geloofd en aan U heb ik mij overgegeven. Mijn gehoor, mijn zicht, mijn brein, mijn botten, mijn zenuwen [en dat wat mijn voeten dragen] hebben zich aan U onderworpen)60.
«سُبْحَانَ ذِي الجَبَرُوتِ، وَالمَلَكُوتِ، وَالكِبْرِيَاءِ، وَالعَظَمَةِ».
(Heilig is Degene met heerschappij, koninkrijk, grootsheid en verhevenheid)61.
Doe'a bij het oprichten uit de buiging (roekoe')
«سَمِعَ اللَّهُ لِمَنْ حَمِدَهُ».
(Allah verhoort wie Hem prijst)62.
«رَبَّنَا وَلَكَ الحَمْدُ، حَمْدًا كَثيرًا طَيِّبًا مُبارَكًا فِيهِ».
(Onze Heer, aan U komt alle lof toe, een overvloedige, goede en gezegende lofprijzing)63.
«مِلْءَ السَّمَوَاتِ وَمِلْءَ الأَرْضِ، وَمَا بَيْنَهُمَا، وَمِلْءَ مَا شِئْتَ مِنْ شَيءٍ بَعْدُ. أَهلَ الثَّناءِ وَالمَجْدِ، أَحَقُّ مَا قَالَ العَبْدُ، وَكُلُّنَا لَكَ عَبْدٌ، اللَّهُمَّ لَا مَانِعَ لِمَا أَعْطَيْتَ، وَلَا مُعْطِيَ لِمَا مَنَعْتَ، وَلَا يَنْفَعُ ذَا الجَدِّ مِنْكَ الجَدُّ».
(De volheid van de hemelen en de volheid van de aarde en wat daartussen is en de volheid van wat U daarna maar wilt. U bent de Meester van lof en glorie. Het meest rechtmatige wat een dienaar kan zeggen en wij zijn allen Uw dienaren. O Allah, er is geen verhinderaar van wat U geeft en geen gever van wat U weerhoudt en de rijkdom van een rijk persoon baat hem niet tegen U)64.
Doe'a tijdens de neerknieling (soejoed)
«سُبْحَانَ رَبِّيَ الأَعْلَى»
(Mijn Heer, de Meest Verhevene, zij Geprezen)
Drie keren65.
«سُبْحَانَكَ اللَّهُمَّ رَبَّنَا وَبِحَمْدِكَ، اللَّهُمَّ اغْفِرْ لِي».
(Heilig bent U, O Allah, onze Heer en met Uw lof. O Allah, vergeef mij)66.
«سُبُّوحٌ، قُدُّوسٌ، رَبُّ المَلَائِكَةِ وَالرُّوحِ».
(De Volmaakt Heilige, de Heer van de engelen en de Geest)67.
«اللَّهُمَّ لَكَ سَجَدْتُ وَبِكَ آمَنْتُ، وَلَكَ أَسْلَمْتُ، سَجَدَ وَجْهِيَ لِلَّذِي خَلَقَهُ، وَصَوَّرَهُ، وَشَقَّ سَمْعَهُ وَبَصَرَهُ، تَبَارَكَ اللَّهُ أَحْسَنُ الخَالِقِينَ».
(O Allah, voor U kniel ik, in U geloof ik en aan U onderwerp ik mij. Mijn gezicht knielt voor Degene Die het heeft geschapen, het heeft gevormd en zijn gehoor en zicht heeft geschapen. Gezegend zij Allah, de beste der scheppers)68.
«سُبْحَانَ ذِي الجَبَرُوتِ، وَالمَلَكُوتِ، وَالكِبْرِيَاءِ، وَالعَظَمَةِ».
(Heilig is Degene van macht, heerschappij, grootsheid en majesteit)69.
«اللَّهُمَّ اغْفِرْ لِي ذَنْبِي كُلَّهُ: دِقَّهُ وَجِلَّهُ، وَأَوَّلَهُ وَآخِرَهُ، وَعَلَانِيَّتَهُ وَسِرَّهُ».
(O Allah, vergeef mij al mijn zonden: de kleine en de grote, de eerste en de laatste, de openlijke en de verborgen zonden)70.
«اللَّهُمَّ إِنِّي أَعُوذُ بِرِضَاكَ مِنْ سَخَطِكَ، وَبِمُعَافَاتِكَ مِنْ عُقوبَتِكَ، وَأَعُوذُ بِكَ مِنْكَ، لَا أُحْصِي ثَنَاءً عَلَيْكَ، أَنْتَ كَمَا أَثْنَيْتَ عَلَى نَفْسِكَ».
(O Allah, ik zoek toevlucht bij Uw welbehagen tegen Uw ongenoegen en bij Uw vergeving tegen Uw bestraffing. En ik zoek toevlucht bij U tegen Uzelf. Ik ben niet in staat Uw lof volledig te prijzen; U bent zoals U Zichzelf heeft geprezen)71.
Doe'a tijdens de zittende positie tussen de twee soejoed.
«رَبِّ اغْفِرْ لِي، رَبِّ اغْفِرْ لِي».
(Mijn Heer, vergeef mij, mijn Heer, vergeef mij)72.
«اللَّهُمَّ اغْفِرْ لِي، وَارْحَمْنِي، وَاهْدِنِي، وَاجْبُرْنِي، وَعَافِنِي، وَارْزُقْنِي، وَارْفَعْنِي».
(O Allah, vergeef mij, wees mij genadig, leid mij, versterk mij, geef mij gezondheid, zorg voor mij en verhef mij)73.
Doe'a van de neerknieling van de recitatie (soejoed At-Tilawa)
«سَجَدَ وَجْهِيَ لِلَّذِي خَلَقَهُ، وَشَقَّ سَمْعَهُ وَبَصَرَهُ بِحَوْلِهِ وَقُوَّتِهِ، فَتَبارَكَ اللَّهُ أَحْسَنُ الخَالِقِينَ»
(Mijn gezicht is neergelegd voor Hem Die het heeft geschapen en die Zijn gehoor en zicht heeft geopend door Zijn macht en kracht, gezegend zij Allah, de beste van de scheppers).
[Al-Moe'minoen: 14]74.
«اللَّهُمَّ اكْتُبْ لِي بِهَا عِنْدَكَ أَجْرًا، وَضَعْ عَنِّي بِهَا وِزْرًا، وَاجْعَلْهَا لِي عِنْدَكَ ذُخْرًا، وَتَقَبَّلْهَا مِنِّي كَمَا تَقَبَّلْتَهَا مِنْ عَبْدِكَ دَاوُدَ».
(O Allah, schrijf voor mij daarmee een beloning bij U, neem daarmee mijn zonden weg, maak het voor mij een schat bij U, en accepteer het van mij zoals U het van Uw dienaar Dawoed hebt geaccepteerd)75.
At-Tashahoed (De getuigenis)
«التَّحِيَّاتُ لِلَّهِ، وَالصَّلَواتُ، وَالطَّيِّبَاتُ، السَّلَامُ عَلَيْكَ أَيُّهَا النَّبِيُّ وَرَحْمَةُ اللَّهِ وَبَرَكَاتُهُ، السَّلَامُ عَلَيْنَا وَعَلَى عِبَادِ اللَّهِ الصَّالِحِينَ، أَشْهَدُ أَنْ لَا إِلَهَ إِلَّا اللَّهُ وَأَشْهَدُ أَنَّ مُحَمَّدًا عَبْدُهُ وَرَسولُهُ».
(De begroetingen zijn voor Allah, de gebeden, de goede daden. Vrede zij met jou, o Profeet, en de genade van Allah en Zijn zegeningen. Vrede zij met ons en met de rechtvaardige dienaren van Allah. Ik getuig dat er geen god is behalve Allah en ik getuig dat Mohammed Zijn dienaar en boodschapper is)76.
De gebeden voor de Profeet (vrede zij met hem) na de getuigenis:
«اللَّهُمَّ صَلِّ عَلَى مُحَمَّدٍ، وَعَلَى آلِ مُحَمَّدٍ، كَمَا صَلَّيتَ عَلَى إِبْرَاهِيمَ، وَعَلَى آلِ إِبْرَاهِيمَ، إِنَّكَ حَمِيدٌ مَجِيدٌ، اللَّهُمَّ بَارِكْ عَلَى مُحَمَّدٍ وَعَلَى آلِ مُحَمَّدٍ، كَمَا بَارَكْتَ عَلَى إِبْرَاهِيمَ وَعَلَى آلِ إِبْرَاهِيمَ، إِنَّكَ حَمِيدٌ مَجِيدٌ».
(O Allah, zend zegeningen over Mohammed en over de familie van Mohammed, zoals U zegeningen zond over Ibrahim en over de familie van Ibrahim. U bent inderdaad de Glorieuze en de Verhevene. O Allah, zegen Mohammed en de familie van Mohammed, zoals U zegeningen zond over Ibrahim en over de familie van Ibrahim. U bent inderdaad de Glorieuze en de Verhevene)77.
«اللَّهُمَّ صَلِّ عَلَى مُحَمَّدٍ وَعَلَى أَزْوَاجِهِ وَذُرِّيَّتِهِ، كَمَا صَلَّيْتَ عَلَى آلِ إِبْرَاهِيمَ، وَبَارِكْ عَلَى مُحَمَّدٍ وَعَلَى أَزْواجِهِ وَذُرِّيَّتِهِ، كَمَا بَارَكْتَ عَلَى آلِ إِبْرَاهِيمَ، إِنَّكَ حَمِيدٌ مَجِيدٌ».
(O Allah, zend zegeningen over Mohammed en over zijn vrouwen en afstammelingen, zoals U zegeningen zond over de familie van Ibrahim. En zegen Mohammed en zijn vrouwen en afstammelingen, zoals U zegeningen zond over de familie van Ibrahim. U bent inderdaad de Glorieuze en de Verhevene)78.
De gebeden voor de Profeet (vrede zij met hem) na de laatste Atta-Shahoed en voor de salaam:
«اللَّهُــمَّ إِنِّي أَعُوذُ بِكَ مِنْ عَذَابِ القَبْرِ، وَمِنْ عَذَابِ جَهَنَّمَ، وَمِنْ فِتْنَةِ المَحْيَا وَالمَمَاتِ، وَمِنْ شَرِّ فِتْنَةِ المَسِيحِ الدَّجَّالِ».
(O Allah, ik zoek toevlucht bij U tegen de straf van het graf, tegen de straf van de Hel, tegen de beproeving van het leven en de dood en tegen het kwaad van de beproeving van de valse Messias)79.
«اللَّهُمَّ إِنِّي أَعُوذُ بِكَ مِنْ عَذَابِ القَبْرِ، وَأَعُوذُ بِكَ مِنْ فِتْنَةِ المَسِيحِ الدَّجَّالِ، وَأَعُوذُ بِكَ مِنْ فِتْنَةِ المَحْيَا وَالمَمَاتِ، اللَّهُمَّ إِنِّي أَعُوذُ بِكَ مِنَ المَأْثَمِ وَالمَغْرَمِ».
(O Allah, ik zoek toevlucht bij U tegen de straf van het graf, ik zoek toevlucht bij U tegen de beproeving van de valse Messias, ik zoek toevlucht bij U tegen de beproeving van het leven en de dood. O Allah, ik zoek toevlucht bij U tegen de zonden en de schulden)80
«اللَّهُمَّ إِنِّي ظَلَمْتُ نَفْسِي ظُلْمًا كَثِيرًا، وَلَا يَغْفِرُ الذُّنُوبَ إِلَّا أَنْتَ، فَاغْفِرْ لِي مَغْفِرَةً مِنْ عِنْدِكَ وَارْحَمْنِي، إِنَّكَ أَنْتَ الغَفُورُ الرَّحِيمُ».
(O Allah, ik heb mezelf veel onrecht aangedaan en niemand vergeeft de zonden behalve U, vergeef mij dan een vergiffenis van U en wees mij genadig, voorwaar, U bent de Meest Vergevende, de Meest Barmhartige)81.
«اللَّهُمَّ اغْفِرْ لِي مَا قَدَّمْتُ، وَمَا أَخَّرْتُ، وَمَا أَسْرَرْتُ، وَمَا أَعْلَنْتُ، وَمَا أَسْرَفْتُ، وَمَا أَنْتَ أَعْلَمُ بِهِ مِنِّي، أَنْتَ المُقَدِّمُ، وَأَنْتَ المُؤَخِّرُ لَا إِلَهَ إِلَّا أَنْتَ».
(O Allah, vergeef mij wat ik vooraf heb gedaan en wat ik achteraf heb gedaan en wat ik verborgen heb en wat ik openlijk heb gedaan en wat ik heb verspild en wat U beter weet dan ik. U bent de Vooruitbrenger en U bent de Achterbrenger er is geen god dan U)82.
«اللَّهُمَّ أَعِنِّي عَلَى ذِكْرِكَ، وَشُكْرِكَ، وَحُسْنِ عِبادَتِكَ».
(O Allah, help mij om U te gedenken, om U te danken en om U op de beste manier te aanbidden)83.
«اللَّهُمَّ إِنِّي أَعُوذُ بِكَ مِنَ البُخْلِ، وَأَعُوذُ بِكَ مِنَ الجُبْنِ، وَأَعُوذُ بِكَ مِنْ أَنْ أُرَدَّ إِلَى أَرْذَلِ العُمُرِ، وَأَعُوذُ بِكَ مِنْ فِتْنَةِ الدُّنْيَا وَعَذَابِ القَبْرِ».
(O Allah, ik zoek toevlucht bij U tegen gierigheid en ik zoek toevlucht bij U tegen lafheid en ik zoek toevlucht bij U tegen het teruggebracht worden naar de slechtste leeftijd en ik zoek toevlucht bij U tegen de verleiding van de wereld en de straf van het graf)84.
«اللَّهُمَّ إِنِّي أَسْأَلُكَ الجَنَّةَ وَأَعُوذُ بِكَ مِنَ النَّارِ».
(O Allah, ik vraag U om het Paradijs en ik zoek toevlucht bij U tegen het Vuur)85.
«اللَّهُمَّ بِعِلْمِكَ الغَيْبَ وَقُدْرَتِكَ عَلَى الخَلقِ أَحْيِنِي مَا عَلِمْتَ الحَيَاةَ خَيْرًا لِي، وَتَوَفَّنِي إِذَا عَلِمْتَ الْوَفَاةَ خَيْرًا لِي، اللَّهُمَّ إِنِّي أَسْأَلُكَ خَشْيَتَكَ فِي الغَيْبِ وَالشَّهَادَةِ، وَأَسْأَلُكَ كَلِمَةَ الحَقِّ فِي الرِّضَا وَالغَضَبِ، وَأَسْأَلُكَ القَصْدَ فِي الغِنَى وَالفَقْرِ، وَأَسْأَلُكَ نَعِيمًا لَا يَنْفَدُ، وَأَسْأَلُكَ قُرَّةَ عَيْنٍ لَا تَنْقَطِعُ، وَأَسْأَلُكَ الرِّضَا بَعْدَ القَضَاءِ، وَأَسْأَلُكَ بَرْدَ العَيْشِ بَعْدَ المَوْتِ، وَأَسْأَلُكَ لَذَّةَ النَّظَرِ إِلَى وَجْهِكَ، وَالشَّوْقَ إِلَى لِقَائِكَ فِي غَيرِ ضَرَّاءَ مُضِرَّةٍ، وَلَا فِتْنَةٍ مُضِلَّةٍ، اللَّهُمَّ زَيِّنَا بِزِينَةِ الإِيمَانِ، وَاجْعَلْنَا هُدَاةً مُهْتَدِينَ».
(O Allah, met Uw kennis van het onzichtbare en Uw macht over de schepping, geef mij het leven zolang U weet dat het goed voor mij is en neem mijn ziel op het moment dat U weet dat de dood goed voor mij is. O Allah, ik vraag U om vrees voor U in het verborgen en in het openbaar en ik vraag U om het woord van de waarheid in zowel tevredenheid als woede en ik vraag U om matigheid in rijkdom en armoede en ik vraag U om een zegen die niet eindigt en ik vraag U om vreugde die nooit verdwijnt en ik vraag U om tevredenheid na het oordeel en ik vraag U om een koele en aangename leven na de dood en ik vraag U om de zoetheid van het zien van Uw aangezicht en de verlangen naar het ontmoeten van U zonder schadelijke beproevingen of misleidende verleidingen. O Allah, versier ons met de versiering van het geloof en maak ons tot degenen die anderen leiden en zichzelf leiden)86.
«اللَّهُمَّ إِنِّي أَسْأَلُكَ يَا أَللَّهُ بِأَنَّكَ الوَاحِدُ الأَحَدُ الصَّمَدُ الَّذِي لَمْ يَلِدْ وَلَمْ يُولَدْ، وَلَمْ يَكُنْ لَهُ كُفُوًا أَحَدٌ، أَنْ تَغْفِرَ لِي ذُنُوبِي إِنَّكَ أَنْتَ الغَفُورُ الرَّحِّيمُ».
(O Allah, ik vraag U, o Allah, omdat U de Enige, de Ene, de Absolute bent, die niet verwekt heeft en niet verwekt is, en aan wie niemand gelijk is, om mijn zonden te vergeven. U bent zeker de Vergevingsgezinde, de Meest Barmhartige)87.
«اللَّهُمَّ إِنِّي أَسْأَلُكَ بِأَنَّ لَكَ الحَمْدَ لَا إِلَهَ إِلَّا أَنْتَ وَحْدَكَ لَا شَرِيكَ لَكَ، المَنَّانُ، يَا بَدِيعَ السَّمَوَاتِ وَالأَرْضِ يَا ذَا الجَلَالِ وَالإِكْرَامِ، يَا حَيُّ يَا قَيُّومُ إِنِّي أَسْأَلُكَ الجَنَّةَ وَأَعُوذُ بِكَ مِنَ النَّارِ».
(O Allah, ik vraag U, aangezien alle lof voor U is, er is geen god behalve U, U bent de Enige, zonder partner, de Gever van zegeningen, O Schepper van de hemelen en de aarde, O Heer van majesteit en eer, O Levende, O Onderhouder, ik vraag U om het Paradijs en zoek toevlucht bij U tegen het Vuur)88.
«اللَّهُمَّ إِنِّي أَسْأَلُكَ بِأَنَّي أَشْهَدُ أَنَّكَ أَنْتَ اللَّهُ لَا إِلَهَ إِلَّا أَنْتَ الأَحَدُ الصَّمَدُ الَّذِي لَمْ يَلِدْ وَلَمْ يُولَدْ وَلَمْ يَكُنْ لَهُ كُفُوًا أَحَدٌ».
(O Allah, ik vraag U, aangezien ik getuigenis afleg dat U Allah bent, er is geen god behalve U, de Enige, de Onvergankelijke, die niet baarde en niet gebaard werd en voor wie er niemand gelijk is)89.
Doe'a na het gebed
«أَسْتَغْفِرُ اللَّهَ
«Ik zoek vergiffenis bij Allah
(Drie keer).
اللَّهُمَّ أَنْتَ السَّلَامُ، وَمِنْكَ السَّلَامُ، تَبَارَكْتَ يَا ذَا الجَلَالِ وَالإِكْرَامِ».
"O Allah, U bent de Vrede en van U komt de Vrede. Gezegend bent U, O Heer van Majesteit en Eerbied."90.
«لَا إِلَهَ إِلَّا اللَّهُ وَحْدَهُ لَا شَرِيكَ لَهُ، لَهُ المُلْكُ وَلَهُ الحَمْدُ وَهُوَ عَلَى كُلِّ شَيْءٍ قَدِيرٌ
Er is geen god dan Allah, de Enige, zonder deelgenoten. Aan Hem behoort het Koninkrijk en aan Hem behoort alle lof en Hij heeft macht over alles. [Drie keer].
اللَّهُمَّ لَا مَانِعَ لِمَا أَعْطَيْتَ، وَلَا مُعْطِيَ لِمَا مَنَعْتَ، وَلَا يَنْفَعُ ذَا الجَدِّ مِنْكَ الجَدُّ».
"O Allah, er is niemand die kan verhinderen wat U geeft en er is niemand die kan geven wat U verhindert. En de kracht van de macht is niet nuttig voor de vastberadenheid van degene die naar U gaat"91.
«لَا إِلَهَ إِلَّا اللَّهُ وَحْدَهُ لَا شَرِيكَ لَهُ، لَهُ المُلْكُ، وَلَهُ الحَمدُ، وَهُوَ عَلَى كُلِّ شَيْءٍ قَدِيرٌ، لَا حَوْلَ وَلَا قُوَّةَ إِلَّا بِاللَّهِ، لَا إِلَهَ إِلَّا اللَّهُ، وَلَا نَعْبُدُ إِلَّا إِيَّاهُ لَهُ النِّعْمَةُ وَلَهُ الفَضْلُ وَلَهُ الثَّنَاءُ الحَسَنُ، لَا إِلَهَ إِلَّا اللَّهُ مُخْلِصِينَ لَهُ الدِّينَ وَلَوْ كَرِهَ الكَافِرُونَ».
(Er is geen god dan Allah, Hij is de Ene, zonder Partner. Aan Hem behoort het Koninkrijk en aan Hem behoort alle lof en Hij heeft macht over alles. Er is geen kracht en geen macht dan door Allah. Er is geen god dan Allah en wij aanbidden alleen Hem. Aan Hem behoort de genade en aan Hem behoort de gunst en aan Hem behoort de mooie lof. Er is geen god dan Allah en wij richten onze aanbidding uitsluitend op Hem, hoewel de ongelovigen het ook niet willen)92.
«سُبْحَانَ اللَّهِ، وَالحَمْدُ لِلَّهِ، وَاللَّهُ أَكْبَرُ
Glorie zij Allah, en alle lof zij Allah, en Allah is de Grootste
(Drieëndertig keer).
لَا إِلَهَ إِلَّا اللَّهُ وَحْدَهُ لَا شَرِيكَ لَهُ، لَهُ المُلْكُ وَلَهُ الحَمْدُ وَهُوَ عَلَى كُلِّ شَيْءٍ قَدِيرٌ».
(Er is geen god dan Allah, Hij is de Ene, zonder Partner. Aan Hem behoort het Koninkrijk en aan Hem behoort alle lof en Hij heeft macht over alles)93.
﴿قُلۡ هُوَ ٱللَّهُ أَحَدٌ1 ٱللَّهُ ٱلصَّمَدُ2 لَمۡ يَلِدۡ وَلَمۡ يُولَدۡ3 وَلَمۡ يَكُن لَّهُۥ كُفُوًا أَحَدُۢ4﴾
[Zeg: Hij is Allah, de Ene.
Allah, de Eeuwige.
Hij heeft niet verwekt en is niet verwekt.
En er is niemand gelijk aan Hem].
[Soerat Al-Ikhlas: 1 - 4].
﴿قُلۡ أَعُوذُ بِرَبِّ ٱلۡفَلَقِ1 مِن شَرِّ مَا خَلَقَ2 وَمِن شَرِّ غَاسِقٍ إِذَا وَقَبَ3 وَمِن شَرِّ ٱلنَّفَّٰثَٰتِ فِي ٱلۡعُقَدِ4 وَمِن شَرِّ حَاسِدٍ إِذَا حَسَدَ5﴾
[Zeg: “Ik zoek mijn toevlucht tot de Heer van de dageraad
Tegen het kwaad dat Hij geschapen heeft
En tegen het kwaad van de duisternis wanneer deze zich verspreid
En tegen het kwaad van degenen die op knopen blazen (de magiërs)
En tegen het kwaad van de jaloerse wanneer deze jaloers is]. [Soerat Al-Falaq: 1 - 5].
﴿قُلۡ أَعُوذُ بِرَبِّ ٱلنَّاسِ1 مَلِكِ ٱلنَّاسِ2 إِلَٰهِ ٱلنَّاسِ3 مِن شَرِّ ٱلۡوَسۡوَاسِ ٱلۡخَنَّاسِ4 ٱلَّذِي يُوَسۡوِسُ فِي صُدُورِ ٱلنَّاسِ5 مِنَ ٱلۡجِنَّةِ وَٱلنَّاسِ6﴾
[Zeg: “Ik zoek mijn toevlucht tot de Heer der mensen.
De Koning der mensen.
De God der mensen.
Tegen het kwaad van de wegsluipende fluisteraar (d.w.z. Shaitaan, deze trekt zich terug zodra Allah wordt herdacht).
Degene die in de harten van de mensheid fluistert.
Vanuit het midden der Djinn en mensen]
[Soerat An-Naas: 1-6].
Na elke gebed94.
﴿ٱللَّهُ لَآ إِلَٰهَ إِلَّا هُوَ ٱلۡحَيُّ ٱلۡقَيُّومُۚ لَا تَأۡخُذُهُۥ سِنَةٞ وَلَا نَوۡمٞۚ لَّهُۥ مَا فِي ٱلسَّمَٰوَٰتِ وَمَا فِي ٱلۡأَرۡضِۗ مَن ذَا ٱلَّذِي يَشۡفَعُ عِندَهُۥٓ إِلَّا بِإِذۡنِهِۦۚ يَعۡلَمُ مَا بَيۡنَ أَيۡدِيهِمۡ وَمَا خَلۡفَهُمۡۖ وَلَا يُحِيطُونَ بِشَيۡءٖ مِّنۡ عِلۡمِهِۦٓ إِلَّا بِمَا شَآءَۚ وَسِعَ كُرۡسِيُّهُ ٱلسَّمَٰوَٰتِ وَٱلۡأَرۡضَۖ وَلَا يَـُٔودُهُۥ حِفۡظُهُمَاۚ وَهُوَ ٱلۡعَلِيُّ ٱلۡعَظِيمُ255﴾
(Allah! Er is geen god behalve Hij, de Levendige, de Onderhouder. Hem overvalt geen sluimering of slaap. Van Hem is wat in de hemelen en wat op aarde is. Wie is het die bij Hem zal bemiddelen, behalve met Zijn toestemming? Hij weet wat voor hen is en wat achter hen is en zij omvatten niets van Zijn kennis, behalve wat Hij wil. Zijn Troon omvat de hemelen en de aarde en het bewaren ervan vermoeit Hem niet. En Hij is de Verhevene, de Grote)
[Al-Baqarah:255] Na iedere gebed95.
«لَا إِلَهَ إِلَّا اللَّهُ وَحْدَهُ لَا شَرِيكَ لَهُ، لَهُ المُلْكُ وَلَهُ الحَمْدُ يُحْيِي وَيُمِيتُ وَهُوَ عَلَى كُلِّ شَيْءٍ قَدِيرٌ»
(Er is geen god dan Allah, de Enige, zonder Partner. Hem behoort het koninkrijk en Hem behoort de lof. Hij geeft leven en brengt de dood en Hij heeft macht over alles)
Tien keer na het gebed van Maghrib en Fajr96.
«اللَّهُمَّ إِنِّي أَسْأَلُكَ عِلْمًا نافِعًا، وَرِزْقًا طَيِّبًا، وَعَمَلًا مُتَقَبَّلًا».
(O Allah, ik vraag U om nuttige kennis, goede voorziening en aanvaardbare daden)
بَعْدَ السَّلامِ مِنْ صَلَاةِ الفَجْرِ.
Na de vredesgroet van het Fadjr gebed97.
Doe'a Al-Istikhara
Jabir ibn Abdillah (moge Allah tevreden met hen zijn) zei: De boodschapper van Allah (vrede zij met hem) onderwees ons Istikhara voor alle zaken zoals hij ons een soera uit de Koran onderwees en hij zei:
«إِذَا هَمَّ أَحَدُكُمْ بِالأَمْرِ فَلْيَرْكَعْ رَكْعَتَيْنِ مِنْ غَيْرِ الفَرِيضَةِ، ثُمَّ لْيَقُلْ:
Wanneer één onder jullie zich voorneemt een zaak te ondernemen, laat hem dan twee rak'ats bidden buiten het verplichte gebed en laat hem vervolgens zeggen:
اللَّهُمَّ إِنِّي أَسْتَخِيرُكَ بِعِلْمِكَ، وَأَسْتَقْدِرُكَ بِقُدْرَتِكَ، وَأَسْأَلُكَ مِنْ فَضْلِكَ العَظِيمِ؛ فَإِنَّكَ تَقْدِرُ وَلَا أَقْدِرُ، وَتَعْلَمُ وَلَا أَعْلَمُ، وَأَنْتَ عَلَّامُ الغُيُوبِ، اللَّهُمَّ إِنْ كُنْتَ تَعْلَمُ أَنَّ هَذَا الأمْرَ - وَيُسَمِّي حَاجَتَهُ - خَيْرٌ لِي فِي دِينِي وَمَعَاشِي وَعَاقِبَةِ أَمْرِي – أَوْ قَالَ: عَاجِلِهِ وَآجِلِهِ - فَاقْدُرْهُ لِي وَيَسِّرْهُ لِي ثمَّ بَارِكْ لِي فِيهِ، وَإِنْ كُنْتَ تَعْلَمُ أَنَّ هَذَا الْأَمْرَ شَرٌّ لِي فِي دِينِي وَمَعَاشِي وَعَاقِبَةِ أَمْرِي – أَوْ قَالَ: عَاجِلِهِ وَآجِلِهِ – فَاصْرِفْهُ عَنِّي وَاصْرِفْنِي عَنْهُ وَاقْدُرْ لِيَ الْخَيْرَ حَيْثُ كَانَ، ثُمَّ أَرْضِنِي بِهِ».
O Allah, ik vraag U om leiding door Uw alomvattende kennis; ik smeek U om kracht en vermogen door Uw oneindige macht; en ik vraag U uit Uw onmetelijke gunst. Want waarlijk, U vermag alles, terwijl ik niets vermag; U weet alles, terwijl ik niet weet; en U bent de Alwetende van al het verborgene. O Allah, indien U weet dat deze zaak — hier noemt men zijn behoefte of aangelegenheid — goed voor mij is in mijn geloof, mijn levensonderhoud en het uiteindelijke gevolg van mijn zaken — of: in het nabije en het verre, in het heden en in de toekomst — beschik haar dan voor mij, maak haar voor mij gemakkelijk en schenk er vervolgens Uw zegen over. En indien U weet dat deze zaak schadelijk voor mij is in mijn geloof, mijn levensonderhoud en het uiteindelijke gevolg van mijn zaken — of: in het nabije en het verre, in het heden en in de toekomst — wend haar dan van mij af en wend mij van haar af; bepaal vervolgens voor mij het goede, waar het zich ook bevindt en maak mij daarna tevreden met hetgeen U voor mij beschikt.98
En niemand heeft spijt gehad die de Schepper heeft geraadpleegd, de gelovige schepselen heeft geconsulteerd en standvastig was in zijn zaak, want Allah (verheven zij Hij) heeft gezegd:
﴿...وَشَاوِرۡهُمۡ فِي ٱلۡأَمۡرِۖ فَإِذَا عَزَمۡتَ فَتَوَكَّلۡ عَلَى ٱللَّهِ...﴾.
[En raadplegen hen bij het nemen van beslissingen En als je een besluit hebt genomen, stel dan je vertrouwen in Allah]99.
Ad-Dhkaar van de ochtend en de avond
De lof behoort alleen aan Allah en de zegeningen en vrede zij met degene bij wie er geen profeet na hem is100.
Ik zoek toevlucht bij Allah tegen de vervloekte satan.
﴿ٱللَّهُ لَآ إِلَٰهَ إِلَّا هُوَ ٱلۡحَيُّ ٱلۡقَيُّومُۚ لَا تَأۡخُذُهُۥ سِنَةٞ وَلَا نَوۡمٞۚ لَّهُۥ مَا فِي ٱلسَّمَٰوَٰتِ وَمَا فِي ٱلۡأَرۡضِۗ مَن ذَا ٱلَّذِي يَشۡفَعُ عِندَهُۥٓ إِلَّا بِإِذۡنِهِۦۚ يَعۡلَمُ مَا بَيۡنَ أَيۡدِيهِمۡ وَمَا خَلۡفَهُمۡۖ وَلَا يُحِيطُونَ بِشَيۡءٖ مِّنۡ عِلۡمِهِۦٓ إِلَّا بِمَا شَآءَۚ وَسِعَ كُرۡسِيُّهُ ٱلسَّمَٰوَٰتِ وَٱلۡأَرۡضَۖ وَلَا يَـُٔودُهُۥ حِفۡظُهُمَاۚ وَهُوَ ٱلۡعَلِيُّ ٱلۡعَظِيمُ255﴾
(Allah! Er is geen godheid dan Hij (die het recht heeft aanbeden te worden), de eeuwig Levende, de Zelfstandige. Sluimer noch slaap kan Hem treffen. Hij is de Bezitter van de hemelen en de aarde en al wat er zich in bevindt. Wie kan bij Hem bemiddelen zonder Zijn toestemming? Hij kent wat er voor hen is en wat er achter hen is. Zij kunnen niets van Zijn kennis onthullen, tenzij Hij dat wil. Zijn troon strekt zich uit (ver) over de Hemelen en de Aarde, (maar) het waken hierover vermoeit Hem helemaal niet. Hij is de meest Verhevene, de Almachtige).
[Al-Baqarah: 255]101.
﴿قُلۡ هُوَ ٱللَّهُ أَحَدٌ1 ٱللَّهُ ٱلصَّمَدُ2 لَمۡ يَلِدۡ وَلَمۡ يُولَدۡ3 وَلَمۡ يَكُن لَّهُۥ كُفُوًا أَحَدُۢ4﴾
(Zeg: “Hij is Allah, de Enige
Allah is Zichzelf- genoeg, Eeuwig
Hij verwekte niet, noch werd Hij verwekt
En niemand is Hem in enig opzicht gelijk)
[Soerat Al-Ikhlas: 1 - 4].
﴿قُلۡ أَعُوذُ بِرَبِّ ٱلۡفَلَقِ1 مِن شَرِّ مَا خَلَقَ2 وَمِن شَرِّ غَاسِقٍ إِذَا وَقَبَ3 وَمِن شَرِّ ٱلنَّفَّٰثَٰتِ فِي ٱلۡعُقَدِ4 وَمِن شَرِّ حَاسِدٍ إِذَا حَسَدَ5﴾
(Zeg: “Ik zoek mijn toevlucht tot de Heer van de dageraad
Tegen het kwaad dat Hij geschapen heeft
En tegen het kwaad van de duisternis wanneer deze zich verspreid
En tegen het kwaad van degenen die op knopen blazen (de magiërs)
tegen het kwaad van de jaloerse wanneer deze jaloers is). [Soerat Al-Falaq: 1 - 5].
﴿قُلۡ أَعُوذُ بِرَبِّ ٱلنَّاسِ1 مَلِكِ ٱلنَّاسِ2 إِلَٰهِ ٱلنَّاسِ3 مِن شَرِّ ٱلۡوَسۡوَاسِ ٱلۡخَنَّاسِ4 ٱلَّذِي يُوَسۡوِسُ فِي صُدُورِ ٱلنَّاسِ5 مِنَ ٱلۡجِنَّةِ وَٱلنَّاسِ6﴾
(Zeg: “Ik zoek mijn toevlucht tot de Heer der mensen
De Koning der mensen
De God der mensen
Tegen het kwaad van de wegsluipende fluisteraar
Degene die in de harten van de mensheid fluistert
Vanuit het midden der Djinn en mensen)
[Soerat An-Naas: 1-6] (Drie keren)102.
«أَصْبَحْنَا وَأَصْبَحَ المُلْكُ لِلَّهِ، وَالحَمْدُ لِلَّهِ، لَا إِلَهَ إلَّا اللَّهُ وَحْدَهُ لَا شَرِيكَ لَهُ، لَهُ الْمُلْكُ وَلَهُ الحَمْدُ وَهُوَ عَلَى كُلِّ شَيْءٍ قَدِيرٌ، رَبِّ أَسْأَلُكَ خَيْرَ مَا فِي هَذَا اليَوْمِ وَخَيرَ مَا بَعْدَهُ، وَأَعُوذُ بِكَ مِنْ شَرِّ مَا فِي هَذَا اليَوْمِ وَشَرِّ مَا بَعْدَهُ، رَبِّ أَعُوذُ بِكَ مِنَ الكَسَلِ وَسُوءِ الكِبَرِ، رَبِّ أَعُوذُ بِكَ مِنْ عَذَابٍ فِي النَّارِ وَعَذَابٍ فِي القَبْرِ».
(Wij zijn de ochtend ingegaan en het koninkrijk behoort aan Allah, en alle lof is voor Allah. Er is geen god dan Allah, de Enige, zonder deelgenoot. Van Hem is het koninkrijk en van Hem is de lof en Hij is over alles machtig. Mijn Heer, ik vraag U het beste van deze dag en het beste van wat erna komt, en ik zoek toevlucht bij U voor het kwaad van deze dag en het kwaad van wat erna komt. Mijn Heer, ik zoek toevlucht bij U voor luiheid en de slechte eigenschappen van ouderdom. Mijn Heer, ik zoek toevlucht bij U voor de straf in het Vuur en de straf in het graf)103.
En wanneer hij de avond ingaat, zegt hij:
«أَمْسَيْنَا وَأَمْسَى الْمُلْكُ لِلَّهِ، وَالحَمْدُ لِلَّهِ، لَا إِلَهَ إلَّا اللَّهُ وَحْدَهُ لَا شَرِيكَ لَهُ، لَهُ الْمُلْكُ وَلَهُ الحَمْدُ وَهُوَ عَلَى كُلِّ شَيْءٍ قَدِيرٌ، رَبِّ أَسْأَلُكَ خَيْرَ مَا فِي هَذِهِ اللَّيْلَةِ، وَخَيْرَ مَا بَعْدَهَا، وَأَعُوذُ بِكَ مِنْ شَرِّ مَا فِي هَذِهِ اللَّيْلَةِ، وَشَرِّ مَا بَعْدَهَا، رَبِّ أَعُوذُ بِكَ مِنَ الكَسَلِ وَسُوءِ الكِبَرِ، رَبِّ أَعُوذُ بِكَ مِنْ عَذَابٍ فِي النَّارِ وَعَذَابٍ فِي القَبْرِ».
"Amsayna wa amsa al-moelkoe lillah, wal-hamdoe lillah. La ilaha illa Allah wahdahoe la sharieka lah. Lahoe al-moelkoe wa lahoe al-hamd, wa hoewa ʿala koelli shay'in qadier. Rabbi as'aloeka khayra ma fi hadhihi al-laylah, wa khayra ma baʿdaha, wa aʿoedhoe bika min sharri ma fi hadhihi al-laylah, wa sharri ma baʿdaha. Rabbi aʿoedhoe bika mina al-kasali wa soe'i al-kibar. Rabbi aʿoedhoe bika min ʿadhabin fi an-nar wa ʿadhabin fi al-qabr."104
«اللَّهُمَّ بِكَ أَصْبَحْنَا، وَبِكَ أَمْسَيْنَا، وَبِكَ نَحْيَا، وَبِكَ نَمُوتُ وَإِلَيْكَ النُّشُورُ».
(O Allah, door U zijn wij de ochtend ingegaan, door U zijn wij de avond ingegaan, door U leven wij, door U sterven wij en tot U is de opstanding).105
En wanneer hij de avond ingaat, zegt hij:
«اللَّهُمَّ بِكَ أَمْسَيْنَا، وَبِكَ أَصْبَحْنَا، وَبِكَ نَحْيَا، وَبِكَ نَمُوتُ، وَإِلَيْكَ الْمَصِيرُ».
(O Allah, door U zijn wij de avond ingegaan, door U zijn wij de ochtend ingegaan, door U leven wij, door U sterven wij en tot U is de bestemming)106.
«اللَّهُمَّ أَنْتَ رَبِّي لَا إِلَهَ إِلَّا أَنْتَ، خَلَقْتَنِي وَأَنَا عَبْدُكَ، وَأَنَا عَلَى عَهْدِكَ وَوَعْدِكَ مَا اسْتَطَعْتُ، أَعُوذُ بِكَ مِنْ شَرِّ مَا صَنَعْتُ، أَبُوءُ لَكَ بِنِعْمَتِكَ عَلَيَّ، وَأَبُوءُ بِذَنْبِي فَاغْفِرْ لِي فَإِنَّهُ لَا يَغْفِرُ الذُّنُوبَ إِلَّا أَنْتَ».
(Allah, U bent mijn Heer, er is geen god behalve U. U hebt mij geschapen en ik ben Uw dienaar. Ik ben vastbesloten mijn belofte en verbintenis aan U na te komen voor zover ik kan. Ik zoek bescherming bij U tegen het kwaad van wat ik heb gedaan. Ik erken107 Uw gunsten jegens mij en ik erken mijn zonden. Vergeef mij, want niemand vergeeft de zonden behalve U)108.
«اللَّهُمَّ إِنِّي أَصْبَحْتُ أُشْهِدُكَ، وَأُشْهِدُ حَمَلَةَ عَرْشِكَ، وَمَلَائِكَتِكَ، وَجَمِيعَ خَلْقِكَ، أَنَّكَ أَنْتَ اللَّهُ لَا إِلَهَ إِلَّا أَنْتَ وَحْدَكَ لَا شَرِيكَ لَكَ، وَأَنَّ مُحَمَّدًا عَبْدُكَ وَرَسُولُكَ»
(O Allah, ik ben de ochtend ingegaan en getuig bij U en ik getuig bij de dragers van Uw Troon, Uw engelen en al Uw schepselen, dat U Allah bent, er is geen god dan U, U alleen en dat Mohammed Uw dienaar en boodschapper is).
Vier keren109.
En wanneer hij de avond ingaat, zegt hij:
«اللَّهُمَّ إِنِّي أَمْسَيْتُ أُشْهِدُكَ، وَأُشْهِدُ حَمَلَةَ عَرْشِكَ، وَمَلَائِكَتِكَ، وَجَمِيعَ خَلْقِكَ، أَنَّكَ أَنْتَ اللَّهُ لَا إِلَهَ إِلَّا أَنْتَ وَحْدَكَ لَا شَرِيكَ لَكَ، وَأَنَّ مُحَمَّدًا عَبْدُكَ وَرَسُولُكَ»
(O Allah, ik ben de avond ingegaan en getuig bij U en ik getuig bij de dragers van Uw Troon, Uw engelen en al Uw schepselen, dat U Allah bent, er is geen god dan U, U alleen, zonder deelgenoten en dat Mohammed Uw dienaar en boodschapper is).
Vier keren110.
«اللَّهُمَّ مَا أَصْبَحَ بِي مِنْ نِعْمَةٍ أَوْ بِأَحَدٍ مِنْ خَلْقِكَ فَمِنْكَ وَحْدَكَ لَا شَرِيكَ لَكَ، فَلَكَ الحَمْدُ وَلَكَ الشُّكْرُ».
(O Allah, wat er met mij is gekomen in de ochtend "Van zegeningen of van een van uw schepselen, het komt van U alleen, zonder enige deelgenoot. Voor U is de lof en voor U is de dankbaarheid)111.
En wanneer hij de avond ingaat, zegt hij:
«اللَّهُمَّ مَا أَمْسَى بِي مِنْ نِعْمَةٍ أَوْ بِأَحَدٍ مِنْ خَلْقِكَ فَمِنْكَ وَحْدَكَ لَا شَرِيكَ لَكَ، فَلَكَ الحَمْدُ وَلَكَ الشُّكْرُ».
«O Allah, wat er met mij is gekomen in de avond van zegeningen of van een van Uw schepselen, het komt van U alleen, zonder enige deelgenoot. Voor U is de lof en voor U is de dankbaarheid»112.
«اللَّهُمَّ عَافِنِي فِي بَدَنِي، اللَّهُمَّ عَافِنِي فِي سَمْعِي، اللَّهُمَّ عَافِنِي فِي بَصَرِي، لَا إِلَهَ إِلَّا أَنْتَ، اللَّهُمَّ إِنِّي أَعُوذُ بِكَ مِنَ الكُفْرِ، وَالفَقْرِ، وَأَعُوذُ بِكَ مِنْ عَذَابِ القَبْرِ، لَا إِلَهَ إِلَّا أَنْتَ».
(O Allah, genees mijn lichaam, O Allah, genees mijn gehoor, O Allah, genees mijn gezichtsvermogen, er is geen god dan U. O Allah, ik zoek toevlucht bij U tegen ongeloof, armoede, en ik zoek toevlucht bij U tegen de straf van het graf, er is geen god dan U)
Drie keren113.
«حَسْبِيَ اللَّهُ لَا إِلَهَ إِلَّا هُوَ عَلَيهِ تَوَكَّلتُ وَهُوَ رَبُّ العَرْشِ العَظِيمِ»
(Allah is voor mij genoeg, er is geen god dan Hij. Op Hem heb ik vertrouwd en Hij is de Heer van de Grote Troon).
(Zeven keer)114.
«اللَّهُمَّ إِنِّي أَسْأَلُكَ العَفْوَ وَالعَافِيَةَ فِي الدُّنْيَا وَالآخِرَةِ، اللَّهُمَّ إِنِّي أَسْأَلُكَ العَفْوَ وَالعَافِيَةَ: فِي دِينِي وَدُنْيَايَ وَأَهْلِي، وَمَالِي، اللَّهُمَّ اسْتُرْ عَوْرَاتِي، وَآمِنْ رَوْعَاتِي، اللَّهُمَّ احْفَظْنِي مِنْ بَينِ يَدَيَّ، وَمِنْ خَلْفِي، وَعَنْ يَمِينِي، وَعَنْ شِمَالِي، وَمِنْ فَوْقِي، وَأَعُوذُ بِعَظَمَتِكَ أَنْ أُغْتَالَ مِنْ تَحْتِي».
(O Allah, ik vraag U om vergiffenis en welzijn in deze wereld en in het Hiernamaals. O Allah, ik vraag U om vergiffenis en welzijn in mijn geloof, mijn wereldse zaken, mijn familie en mijn bezit. O Allah, bedek mijn gebreken en stel mij gerust in mijn angsten. O Allah, bescherm mij van voren, van achteren, van mijn rechterkant, van mijn linkerkant en van boven. En ik zoek toevlucht bij Uw Majesteit tegen een aanval van onder mij)115.
«اللَّهُمَّ عَالِمَ الغَيْبِ وَالشَّهَادَةِ فَاطِرَ السَّمَوَاتِ وَالأَرْضِ، رَبَّ كُلِّ شَيْءٍ وَمَلِيكَهُ، أَشْهَدُ أَنْ لَا إِلَهَ إِلَّا أَنْتَ، أَعُوذُ بِكَ مِنْ شَرِّ نَفْسِي، وَمِنْ شَرِّ الشَّيْطانِ وَشَرَكِهِ، وَأَنْ أَقْتَرِفَ عَلَى نَفْسِي سُوءًا، أَوْ أَجُرَّهُ إِلَى مُسْلِمٍ».
(O Allah, Wetende van het verborgen en het zichtbare, Schepper van de hemelen en de aarde, Heer van alles en zijn Koning, ik getuig dat er geen god is behalve U, ik zoek toevlucht bij U voor de kwaad van mijn ziel, en voor de kwaad van de duivel en zijn strikken, en dat ik geen kwaad zou begaan tegen mezelf of het naar een moslim zou leiden)116.
«بِسْمِ اللَّهِ الَّذِي لَا يَضُرُّ مَعَ اسْمِهِ شَيْءٌ فِي الأَرْضِ وَلَا فِي السَّمَاءِ وَهُوَ السَّمِيعُ العَلِيمُ»
(In de naam van Allah, bij wiens naam niets in de aarde noch in de hemel schade kan toebrengen en Hij is de Alhorende, de Alwetende.)
Drie keren117.
«رَضِيتُ بِاللَّهِ رَبًَّا، وَبِالإِسْلَامِ دِينًا، وَبِمُحَمَّدٍ ﷺ نَبِيًّا».
(Ik ben tevreden met Allah als mijn Heer, met de Islam als mijn religie, en met Mohammed (vrede zij met hem) als mijn Profeet)
Drie keren118.
«يَا حَيُّ يَا قَيُّومُ بِرَحْمَتِكَ أَسْتَغيثُ أَصْلِحْ لِي شَأْنِيَ كُلَّهُ وَلَا تَكِلْنِي إِلَى نَفْسِي طَرْفَةَ عَيْنٍ».
(O Levende, O Zelfstandige! Door Uw genade zoek ik hulp. Breng al mijn zaken in orde en laat mij niet aan mezelf over, zelfs niet voor een oogwenk)119.
«أَصْبَحْنَا وَأَصْبَحَ المُلْكُ لِلَّهِ رَبِّ العَالَمِينَ، اللَّهُـمَّ إِنِّي أَسْأَلُكَ خَيْرَ هَذَا اليَوْمِ: فَتْحَهُ، وَنَصْرَهُ، وَنورَهُ، وَبَرَكَتَهُ، وَهُدَاهُ، وَأَعُوذُ بِكَ مِنْ شَرِّ مَا فِيهِ وَشَرِّ مَا بَعْدَهُ».
(Wij zijn de ochtend ingegaan en het koninkrijk behoort aan Allah, de Heer van de werelden. O Allah, ik vraag U om het goede van deze dag: zijn overwinning, zijn hulp, zijn licht, zijn zegeningen en zijn leiding. En ik zoek toevlucht bij U tegen het kwaad ervan en tegen het kwaad dat erop volgt)120.
En wanneer hij de avond ingaat, zegt hij:
«أَمْسَيْنَا وَأَمْسَى المُلْكُ لِلَّهِ رَبِّ العَالَمِينَ، اللَّهُمَّ إِنِّي أَسْأَلُكَ خَيْرَ هَذِهِ اللَّيْلَةِ: فَتْحَهَا، وَنَصْرَهَا، وَنُورَهَا، وَبَرَكَتَهَا، وَهُدَاهَا، وَأَعُوذُ بِكَ مِنْ شَرِّ مَا فِيهَا، وَشَرِّ مَا بَعْدَهَا».
(Wij zijn de avond ingegaan en het koninkrijk behoort aan Allah, de Heer van de werelden. O Allah, ik vraag U om het goede van deze nacht: haar overwinning, haar hulp, haar licht, haar zegeningen en haar leiding. En ik zoek toevlucht bij U tegen het kwaad ervan en tegen het kwaad dat erop volgt)121.
«أَصْبَحْنا عَلَى فِطْرَةِ الإِسْلَامِ، وَعَلَى كَلِمَةِ الإِخْلاَصِ، وَعَلَى دِينِ نَبِيِّنَا مُحَمَّدٍ ﷺ، وَعَلَى مِلَّةِ أَبِينَا إِبْرَاهِيمَ، حَنِيفًا مُسْلِمًا وَمَا كَانَ مِنَ المُشرِكِينَ».
(Wij zijn de ochtend ingegaan met de natuurlijke aanleg van de Islam, met het woord van oprechte toewijding, met de religie van onze profeet Mohammed (vrede zij met hem) en met de levenswijze van onze vader Ibrahim, die oprecht en een overgegeven dienaar was en niet tot de afgodendienaren behoorde)122.
En wanneer hij de avond ingaat, zegt hij:
«أَمْسَيْنَا عَلَى فِطْرَةِ الإِسْلَامِ، وَعَلَى كَلِمَةِ الإِخْلاَصِ، وَعَلَى دِينِ نَبِيِّنَا مُحَمَّدٍ ﷺ، وَعَلَى مِلَّةِ أَبِينَا إِبْرَاهِيمَ، حَنِيفًا مُسْلِمًا وَمَا كَانَ مِنَ المُشرِكِينَ».
(Wij zijn de avond ingegaan met de natuurlijke aanleg van de Islam, met het woord van oprechte toewijding, met de religie van onze profeet Mohammed (vrede zij met hem) en met de levenswijze van onze vader Ibrahim, die oprecht en een overgegeven dienaar was en niet tot de afgodendienaren behoorde)123.
«سُبْحَانَ اللَّهِ وَبِحَمْدِهِ».
"Glorie zij Allah en geprezen is Hij."
Honderd keer124.
«لَا إِلَهَ إِلَّا اللَّهُ وَحْدَهُ لَا شَرِيكَ لَهُ، لَهُ الْمُلْكُ وَلَهُ الحَمْدُ، وَهُوَ عَلَى كُلِّ شَيْءٍ قَدِيرٌ»
"Er is geen god dan Allah, Hij is de Enige, zonder deelgenoten. Aan Hem behoort het Koninkrijk en alle lof komt Hem toe. Hij heeft macht over alle dingen."
Tien keren125, of één keer bij luiheid126.
«لَا إِلَهَ إِلَّا اللَّهُ، وَحْدَهُ لَا شَرِيكَ لَهُ، لَهُ المُلْكُ وَلَهُ الحَمْدُ وَهُوَ عَلَى كُلِّ شَيْءٍ قَدِيرٌ».
""La ilaha illa Allah, wahdahoe la sharika lah, lahoe l'moelkoe wa lahoe l'hamd, wa hoewa 'ala koelli shai'in qadir". (Er is geen god dan Allah, Hij is de Enige, zonder deelgenoten. Aan Hem behoort het Koninkrijk en alle lof komt Hem toe. Hij heeft macht over alle dingen)."
(Honderd keer) wanneer de ochtend aanbreekt127.
«سُبْحَانَ اللَّهِ وَبِحَمْدِهِ: عَدَدَ خَلْقِهِ، وَرِضَا نَفْسِهِ، وَزِنَةَ عَرْشِهِ، وَمِدَادَ كَلِمَاتِهِ».
(Glorifieer Allah en prijst Hem: het aantal van Zijn schepselen, en Zijn welbehagen, en het gewicht van Zijn Troon, en de inkt van Zijn Woorden)
Drie keren in de ochtend128.
«اللَّهُمَّ إِنِّي أَسْأَلُكَ عِلْمًا نَافِعًا، وَرِزْقًا طَيِّبًا، وَعَمَلًا مُتَقَبَّلًا».
(O Allah, ik vraag U om nuttige kennis, goede voorziening, en aanvaard werk)
Wanneer hij de ochtend ingaat129.
«أَسْتَغْفِرُ اللَّهَ وَأَتُوبُ إِلَيْهِ».
"Ik vraag Allah om vergiffenis en wend mij tot Hem."
Honderd keer op een dag130.
«أَعُوذُ بِكَلِمَاتِ اللَّهِ التَّامَّاتِ مِنْ شَرِّ مَا خَلَقَ».
"Ik zoek toevlucht bij de volmaakte woorden van Allah tegen het kwaad van wat Hij heeft geschapen"
Drie keren in de avond131.
«اللَّهُمَّ صَلِّ وَسَلِّمْ عَلَى نَبَيِّنَا مُحَمَّدٍ».
"O Allah, zegen en geef vrede aan onze Profeet Mohammed"
(10 keren)132.
Ad-Dkaar bij het slapen:
Hij verzamelt zijn beide handen, blaast daarin en leest daarin:
﴿قُلۡ هُوَ ٱللَّهُ أَحَدٌ1 ٱللَّهُ ٱلصَّمَدُ2 لَمۡ يَلِدۡ وَلَمۡ يُولَدۡ3 وَلَمۡ يَكُن لَّهُۥ كُفُوًا أَحَدُۢ4﴾
(Zeg: Hij is Allah, de Ene,
Allah de Eeuwige, de Onafhankelijke (waarvan allés en iedereen afhankelijk is)
Hij heeft niet verwekt en werd niet verwekt
En er is niemand die gelijk aan Hem is).
[Soerat Al-Ikhlas: 1 - 4].
﴿قُلۡ أَعُوذُ بِرَبِّ ٱلۡفَلَقِ1 مِن شَرِّ مَا خَلَقَ2 وَمِن شَرِّ غَاسِقٍ إِذَا وَقَبَ3 وَمِن شَرِّ ٱلنَّفَّٰثَٰتِ فِي ٱلۡعُقَدِ4 وَمِن شَرِّ حَاسِدٍ إِذَا حَسَدَ5﴾
(Zeg: “Ik zoek mijn toevlucht tot de Heer van de dageraad.
Tegen het kwaad dat Hij geschapen heeft.
En tegen het kwaad van de duisternis wanneer deze zich verspreid.
En tegen het kwaad van degenen die op knopen blazen (de magiërs).
En tegen het kwaad van de jaloerse wanneer deze jaloers is).
[Soerat Al-Falaq: 1 - 5].
﴿قُلۡ أَعُوذُ بِرَبِّ ٱلنَّاسِ1 مَلِكِ ٱلنَّاسِ2 إِلَٰهِ ٱلنَّاسِ3 مِن شَرِّ ٱلۡوَسۡوَاسِ ٱلۡخَنَّاسِ4 ٱلَّذِي يُوَسۡوِسُ فِي صُدُورِ ٱلنَّاسِ5 مِنَ ٱلۡجِنَّةِ وَٱلنَّاسِ6﴾
(Zeg: “Ik zoek mijn toevlucht tot de Heer der mensen.
De Koning der mensen.
De God der mensen.
Tegen het kwaad van de wegsluipende fluisteraar.
Degene die in de harten van de mensheid fluistert.
Vanuit het midden der Djinn en mensen)
[Soerat An-Naas: 1-6]
Vervolgens veegt hij met hen (zijn handen) over zoveel mogelijk van zijn lichaam, beginnend met zijn hoofd, gezicht en wat van zijn lichaam naar voren wijst. (Dit doet hij drie keer)133.
﴿ٱللَّهُ لَآ إِلَٰهَ إِلَّا هُوَ ٱلۡحَيُّ ٱلۡقَيُّومُۚ لَا تَأۡخُذُهُۥ سِنَةٞ وَلَا نَوۡمٞۚ لَّهُۥ مَا فِي ٱلسَّمَٰوَٰتِ وَمَا فِي ٱلۡأَرۡضِۗ مَن ذَا ٱلَّذِي يَشۡفَعُ عِندَهُۥٓ إِلَّا بِإِذۡنِهِۦۚ يَعۡلَمُ مَا بَيۡنَ أَيۡدِيهِمۡ وَمَا خَلۡفَهُمۡۖ وَلَا يُحِيطُونَ بِشَيۡءٖ مِّنۡ عِلۡمِهِۦٓ إِلَّا بِمَا شَآءَۚ وَسِعَ كُرۡسِيُّهُ ٱلسَّمَٰوَٰتِ وَٱلۡأَرۡضَۖ وَلَا يَـُٔودُهُۥ حِفۡظُهُمَاۚ وَهُوَ ٱلۡعَلِيُّ ٱلۡعَظِيمُ255﴾
(Allah, er is geen god dan Hij, de Levende, de Onderhouder. Slaperigheid of slaap komt Hem niet over. Van Hem is wat er in de hemelen en wat er op aarde is. Wie is degene die bij Hem kan bemiddelen, behalve met Zijn toestemming? Hij weet wat voor en achter hen ligt en zij omhullen niets van Zijn kennis, behalve wat Hij wil. Zijn Troon omvat de hemelen en de aarde, en het bewaren daarvan is Hem niet zwaar en Hij is de Verhevene, de Grootste). [Al-Baqarah:255]134.
﴿ءَامَنَ ٱلرَّسُولُ بِمَآ أُنزِلَ إِلَيۡهِ مِن رَّبِّهِۦ وَٱلۡمُؤۡمِنُونَۚ كُلٌّ ءَامَنَ بِٱللَّهِ وَمَلَٰٓئِكَتِهِۦ وَكُتُبِهِۦ وَرُسُلِهِۦ لَا نُفَرِّقُ بَيۡنَ أَحَدٖ مِّن رُّسُلِهِۦۚ وَقَالُواْ سَمِعۡنَا وَأَطَعۡنَاۖ غُفۡرَانَكَ رَبَّنَا وَإِلَيۡكَ ٱلۡمَصِيرُ285 لَا يُكَلِّفُ ٱللَّهُ نَفۡسًا إِلَّا وُسۡعَهَاۚ لَهَا مَا كَسَبَتۡ وَعَلَيۡهَا مَا ٱكۡتَسَبَتۡۗ رَبَّنَا لَا تُؤَاخِذۡنَآ إِن نَّسِينَآ أَوۡ أَخۡطَأۡنَاۚ رَبَّنَا وَلَا تَحۡمِلۡ عَلَيۡنَآ إِصۡرٗا كَمَا حَمَلۡتَهُۥ عَلَى ٱلَّذِينَ مِن قَبۡلِنَاۚ رَبَّنَا وَلَا تُحَمِّلۡنَا مَا لَا طَاقَةَ لَنَا بِهِۦۖ وَٱعۡفُ عَنَّا وَٱغۡفِرۡ لَنَا وَٱرۡحَمۡنَآۚ أَنتَ مَوۡلَىٰنَا فَٱنصُرۡنَا عَلَى ٱلۡقَوۡمِ ٱلۡكَٰفِرِينَ286﴾
(De Boodschapper Mohammed (bevestigt) en gelooft in (de Koran) die naar hem werd gezonden door zijn Heer. En dit doen de gelovigen ook. Ieder van hen gelooft in Allah, Zijn Engelen, Zijn Boeken en Zijn Boodschappers. Zij zeggen: “Wij maken geen onderscheid tussen Zijn Boodschappers.” En zij zeggen: “Wij luisteren (naar hun bevelen) en gehoorzamen. Wij vragen om Uw vergeving, onze Heer. En tot U zullen allen terugkeren.” (na de Wederopstanding)
Allah belast niemand boven zijn vermogen. Hij ontvangt beloning voor (het goede) wat hij verricht heeft en (alléén) voor hem is de bestraffing voor wat hij doet. “Onze Heer! Straf ons niet voor wat wij (onopzettelijk) vergeten of wat wij fout doen. Onze Heer! Leg ons geen last op zoals U wel hebt gedaan bij diegenen die ons zijn voorgegaan. Onze Heer! Leg ons geen lasten (en beproevingen) op die wij niet kunnen dragen. Wis onze zonden en schenk ons vergiffenis op basis van Uw barmhartigheid. U bent onze Beschermer en Behoeder. Laat ons (daarom) de overwinning behalen op de ongelovigen, (in woord en daad).
[Al-Baqarah:285-286]135.
«بِاسْمِكَ رَبِّي وَضَعْتُ جَنْبِي، وَبِكَ أَرْفَعُهُ، فَإِنْ أَمْسَكْتَ نَفْسِي فَارْحَمْهَا، وَإِنْ أَرْسَلْتَهَا فَاحْفَظْهَا، بِمَا تَحْفَظُ بِهِ عِبَادَكَ الصَّالِحِينَ».
(Met Uw Naam136, mijn Heer, leg ik mijn zij neer, en met Uw hulp hef ik haar op. Als U mijn ziel vasthoudt, schenk haar dan genade. En als U haar terugzendt, bescherm haar dan met datgene waarmee U Uw rechtschapen dienaren beschermt)137.
«اللَّهُمَّ إِنَّكَ خَلَقْتَ نَفْسِي وَأَنْتَ تَوَفَّاهَا، لَكَ مَمَاتُهَا وَمَحْياهَا، إِنْ أَحْيَيْتَهَا فَاحْفَظْهَا، وَإِنْ أَمَتَّهَا فَاغْفِرْ لَهَا، اللَّهُمَّ إِنِّي أَسْأَلُكَ العَافِيَةَ».
(O Allah, U hebt mijn ziel geschapen en U bent Degene die haar zal nemen. Aan U behoort haar leven en haar dood. Als U haar leven schenkt, bescherm haar dan. En als U haar laat sterven, vergeef haar dan. O Allah, ik vraag U om welzijn)138.
«اللَّهُمَّ قِنِي عَذَابَكَ يَوْمَ تَبْعَثُ عِبَادَكَ».
(O Allah, behoed mij tegen139 Uw straf op de Dag waarop U Uw dienaren zult doen opstaan)140.
«بِاسْمِكَ اللَّهُمَّ أَمُوتُ وَأَحْيَا».
(In Uw naam, O Allah, sterf ik en leef ik)141.
«سُبْحَانَ اللَّهِ
"Glorie zij Allah
(ثَلَاثًا وَثَلاثِينَ)،
(Drieëndertig keer).
وَالحَمْدُ لِلَّهِ
Alle lof is voor Allah.
(ثَلَاثًا وَثَلاثِينَ)،
(Drieëndertig keer).
وَاللَّهُ أَكْبَرُ
En Allah is de grootste
(أَرْبَعًا وَثَلاثِينَ)».
(34 keer)142.
«اللَّهُمَّ رَبَّ السَّمَوَاتِ السَّبْعِ وَرَبَّ الأَرْضِ، وَرَبَّ العَرْشِ العَظِيمِ، رَبَّنَا وَرَبَّ كُلِّ شَيْءٍ، فَالِقَ الحَبِّ وَالنَّوَى، وَمُنْزِلَ التَّوْرَاةِ وَالإِنْجِيلِ، وَالفُرْقَانِ، أَعُوذُ بِكَ مِنْ شَرِّ كُلِّ شَيْءٍ أَنْتَ آخِذٌ بِنَاصِيَتِهِ، اللَّهُمَّ أَنْتَ الأَوَّلُ فَلَيْسَ قَبْلَكَ شَيْءٌ، وَأَنْتَ الآخِرُ فَلَيسَ بَعْدَكَ شَيْءٌ، وَأَنْتَ الظَّاهِرُ فَلَيْسَ فَوْقَكَ شَيْءٌ، وَأَنْتَ البَاطِنُ فَلَيْسَ دُونَكَ شَيْءٌ، اقْضِ عَنَّا الدَّيْنَ وَأَغْنِنَا مِنَ الفَقْرِ».
(O Allah, Heer van de zeven hemelen en Heer van de aarde, Heer van de geweldige Troon, onze Heer en Heer van alles, Schepper van de korrel en de pit, en Openbaarder van de Torah, het Evangelie en de Furqan, ik zoek mijn toevlucht bij U tegen het kwaad van alles waarvan U de controle in handen hebt. O Allah, U bent de Eerste, en er was niets vóór U. U bent de Laatste, en er is niets na U. U bent de Zichtbare, en er is niets boven U. U bent de Onzichtbare, en er is niets voorbij U. Vereffen voor ons de schulden en maak ons onafhankelijk van armoede)143.
«الحَمْدُ لِلَّهِ الَّذِي أَطْعَمَنَا وَسَقَانَا، وَكَفَانَا، وَآوَانَا، فَكَمْ مِمَّنْ لَا كَافِيَ لَهُ وَلَا مُؤْوِيَ».
(Alle lof is aan Allah, Die ons voorzag van zowel eten als drinken, ons beschermde en ons beschutte. Er zijn zoveel mensen die niemand hebben die hun beschermt of beschut)144
«اللَّهُمَّ عَالِمَ الغَيْبِ وَالشَّهَادَةِ فَاطِرَ السَّمَوَاتِ وَالأَرْضِ، رَبَّ كُلِّ شَيْءٍ وَمَلِيكَهُ، أَشْهَدُ أَنْ لَا إِلَهَ إِلَّا أَنْتَ، أَعُوذُ بِكَ مِنْ شَرِّ نَفْسِي، وَمِنْ شَرِّ الشَّيْطانِ وَشِرْكِهِ، وَأَنْ أَقْتَرِفَ عَلَى نَفْسِي سُوءًا، أَوْ أَجُرَّهُ إِلَى مُسْلِمٍ».
(O Allah, Kenner van het onzichtbare en het waarneembare, Schepper van de hemelen en de aarde, Heer en Meester van alles, ik getuig dat er geen god is behalve U. Ik zoek mijn toevlucht bij U tegen het kwaad van mijn ziel, het kwaad van de Satan en zijn misleiding en dat ik kwaad zou begaan tegen mijzelf of het kwaad zou veroorzaken voor een andere moslim)145.
«يَقْرَأُ ﴿الــم﴾ تَنْزِيلَ السَّجْدَةِ، وَتَبَارَكَ الَّذي بِيَدِهِ المُلْكُ».
(Hij reciteert: Alif Laam Miem, de Openbaring van As-Sajdah, en Gezegend is Hij in Wiens hand de heerschappij ligt [Soera146.
«اللَّهُمَّ أَسْلَمْتُ نَفْسِي إِلَيْكَ، وَفَوَّضْتُ أَمْرِي إِلَيْكَ، وَوَجَّهْتُ وَجْهِي إِلَيْكَ، وَأَلْجَأْتُ ظَهْرِي إِلَيْكَ، رَغْبَةً وَرَهْبَةً إِلَيْكَ، لَا مَلْجَأَ وَلَا مَنْجَا مِنْكَ إِلَّا إِلَيْكَ، آمَنْتُ بِكِتَابِكَ الَّذِي أَنْزَلْتَ، وَبِنَبِيِّكَ الَّذِي أَرْسَلْتَ».
(O Allah147 , ik heb mij aan U overgegeven, mijn zaken aan U toevertrouwd, mijn gezicht naar U gewend en mijn rug tegen U geleund, verlangend naar en vrezend voor U. Er is geen toevlucht en geen redding van U behalve bij U. Ik geloof in Uw Boek dat U heeft neergezonden en in Uw Profeet die U heeft gezonden)148.
Doe'a wanneer het zich 's nachts wendt.
«لَا إِلَهَ إِلَّا اللَّهُ الوَاحِدُ القَهّارُ، رَبُّ السَّمَوَاتِ وَالأَرْضِ وَمَا بَيْنَهُمَا العَزيزُ الغَفَّارُ».
(Er is geen god behalve Allah, de Ene, de Overweldigende, Heer van de hemelen en de aarde en wat zich daartussen bevindt, de Almachtige, de Vergevensgezinde)149.
Doe'a bij angst tijdens de slaap en voor wie geplaagd wordt door een gevoel van eenzaamheid.
«أَعُوذُ بِكَلِمَاتِ اللَّهِ التَّامَّاتِ مِنْ غَضَبِهِ وَعِقَابِهِ، وَشَرِّ عِبَادِهِ، وَمِنْ هَمَزَاتِ الشَّياطِينِ وَأَنْ يَحْضُرُونِ».
(Ik zoek toevlucht bij de volmaakte woorden van Allah tegen Zijn toorn, Zijn bestraffing, het kwaad van Zijn dienaren, de influisteringen van de satanen en hun aanwezigheid)150.
Wat te doen wanneer men een droom of een visioen ziet.
(Hij blaast naar zijn linkerzijde) (drie keer)151.
(Hij zoekt zijn toevlucht bij Allah tegen de satan en tegen het kwaad van wat hij heeft gezien) (drie keer)152.
(Hij vertelt het aan niemand)153.
(Hij draait zich om van de zijde waarop hij lag)154.
(Hij staat op om te bidden, als hij dat wil)155.
Doe'a voor de Qoenoot in de Witr-gebed
«اللَّهُمَّ اهْدِنِي فِيمَنْ هَدَيْتَ، وَعَافِنِي فِيمَنْ عَافَيْتَ، وَتَوَلَّنِي فِيمَنْ تَوَلَّيْتَ، وَبَارِكْ لِي فِيمَا أَعْطَيْتَ، وَقِنِي شَرَّ مَا قَضَيْتَ؛ فَإِنَّكَ تَقْضِي وَلَا يُقْضَى عَلَيْكَ، إِنَّهُ لَا يَذِلُّ مَنْ وَالَيْتَ، [وَلاَ يَعِزُّ مَنْ عَادَيْتَ]، تَبارَكْتَ رَبَّنا وَتَعَالَيْتَ».
(O Allah, leid mij onder degenen die U hebt geleid, schenk mij welzijn onder degenen die U welzijn hebt geschonken, neem mij onder Uw bescherming met degenen die U onder Uw bescherming hebt genomen, zegen voor mij wat U mij hebt geschonken en behoed mij voor het kwaad van wat U hebt beschikt. Voorwaar, U beschikt en er wordt niet over U beschikt. Niemand die U beschermt zal vernederd worden, [en niemand die U als vijand beschouwt zal geëerd worden]. Gezegend bent U, onze Heer, en Verheven)156.
«اللَّهُمَّ إِنِّي أَعُوذُ بِرِضَاكَ مِنْ سَخَطِكَ، وَبِمُعَافَاتِكَ مِنْ عُقُوبَتِكَ، وَأَعُوذُ بِكَ مِنْكَ، لَا أُحْصِي ثَنَاءً عَلَيْكَ، أَنْتَ كَمَا أَثْنَيْتَ عَلَى نَفْسِكَ».
(O Allah, ik zoek toevlucht bij Uw tevredenheid tegen Uw woede, bij Uw welzijn tegen Uw straf en ik zoek toevlucht bij U tegen U. Ik kan Uw lof niet volledig uiten; U bent zoals U uzelf heeft geprezen)157.
«اللَّهُمَّ إِيَّاكَ نعْبُدُ، وَلَكَ نُصَلِّي وَنَسْجُدُ، وَإِلَيْكَ نَسْعَى وَنَحْفِدُ، نَرْجُو رَحْمَتَكَ، وَنَخْشَى عَذَابَكَ، إِنَّ عَذَابَكَ بِالكَافِرِينَ مُلْحِقٌ، اللَّهُمَّ إِنَّا نَسْتَعِينُكَ، وَنَسْتَغْفِرُكَ، وَنُثْنِي عَلَيْكَ الخَيْرَ، وَلَا نَكْفُرُكَ، وَنُؤْمِنُ بِكَ، وَنَخْضَعُ لَكَ، وَنَخْلَعُ مَنْ يَكْفرُكَ».
(O Allah, U alleen aanbidden wij en voor U bidden wij en buigen wij in aanbidding. Naar U streven wij en in Uw dienst zijn wij, wij hopen op Uw genade en vrezen Uw straf. Zeker, Uw straf zal de ongelovigen treffen. O Allah, wij vragen Uw hulp, wij zoeken Uw vergiffenis, wij prijzen U voor het goede, wij zijn niet ondankbaar voor U, wij geloven in U, wij onderwerpen ons aan U, en wij verwerpen degene die U ontkent)158.
Ad-Dhikr na de salaam van de witr.
«سُبْحَانَ المَلِكِ القُدُّوسِ»
"Heilig is de Koning, de Heilige"
ثَلَاثَ مرَّاتٍ
Drie maal herhalen.
والثَّالِثَةُ يَجْهَرُ بها ويَمُدُّ بِهَا صَوتَهُ يَقُولُ:
En de derde keer dient hij het hardop te zeggen en zijn stem ermee te verlengen, zeggende:
«رَبِّ المَلَائِكَةِ وَالرُّوحِ».
(Heer van de engelen en de Geest)159.
Doe'a tegen bezorgdheid en verdriet.
«اللَّهُمَّ إِنِّي عَبْدُكَ، ابْنُ عَبْدِكَ، ابْنُ أَمَتِكَ، نَاصِيَتِي بِيَدِكَ، مَاضٍ فِيَّ حُكْمُكَ، عَدْلٌ فِيَّ قَضَاؤُكَ، أَسْأَلُكَ بِكُلِّ اسْمٍ هُوَ لَكَ، سَمَّيْتَ بِهِ نَفْسَكَ، أَوْ أَنْزَلْتَهُ فِي كِتَابِكَ، أَوْ عَلَّمْتَهُ أَحَدًا مِنْ خَلْقِكَ، أَوِ اسْتَأْثَرْتَ بِهِ فِي عِلْمِ الغَيْبِ عِنْدَكَ، أَنْ تَجْعَلَ القُرْآنَ رَبِيعَ قَلْبِي، وَنُورَ صَدْرِي، وَجَلَاءَ حُزْنِي، وَذَهَابَ هَمِّي».
(O Allah, ik ben Uw dienaar, de zoon van Uw dienaar, de zoon van Uw dienares. Mijn voorhoofd is in Uw hand. Uw oordeel over mij is onvermijdelijk en Uw besluit is rechtvaardig. Ik vraag U bij elke naam die U voor Uzelf hebt gekozen, of die U in Uw Boek hebt neergelegd, of die U een van Uw schepselen hebt geleerd, of die U in het onbekende bij U hebt bewaard, om het Koran als de lente van mijn hart, het licht voor mijn borst, de verlichting van mijn verdriet en de weg van mijn zorgen te maken)160.
«اللَّهُمَّ إِنِّي أَعُوذُ بِكَ مِنَ الهَمِّ وَالحَزَنِ، وَالعَجْزِ وَالكَسَلِ، وَالبُخْلِ وَالجُبْنِ، وَضَلَعِ الدَّيْنِ وَغَلَبَةِ الرِّجَالِ».
(O Allah, ik zoek toevlucht bij U tegen bezorgdheid en verdriet, tegen zwakte en luiheid, tegen gierigheid en lafheid, tegen de overlast van schulden en de overheersing van mensen)161
Doe'a tegen moeilijkheden
«لَا إِلَهَ إِلَّا اللَّهُ العَظِيمُ الحَلِيمُ، لَا إِلَهَ إِلَّا اللَّهُ رَبُّ العَرْشِ العَظِيمِ، لَا إِلَهَ إِلَّا اللَّهُ رَبُّ السَّمَوَاتِ وَرَبُّ الأَرْضِ وَرَبُّ العَرْشِ الكَرِيمِ».
(Er is geen god dan Allah, de Majesteit, de Tolerante. Er is geen god dan Allah, de Heer van de Majesteit van de Troon. Er is geen god dan Allah, de Heer van de hemelen en de Heer van de aarde en de Heer van de edele Troon)162.
«اللَّهُمَّ رَحْمَتَكَ أَرْجُو، فَلَا تَكِلْنِي إِلَى نَفْسِي طَرْفَةَ عَيْنٍ، وَأَصْلِحْ لِي شَأْنِي كُلَّهُ، لَا إِلَهَ إِلَّا أَنْتَ».
(O Allah, ik hoop op Uw genade, laat mij niet over aan mijn eigen zwakheid, zelfs niet voor een ogenblik en maak al mijn zaken goed. Er is geen god dan U)163.
«لَا إِلَهَ إِلَّا أَنْتَ سُبْحَانَكَ إِنِّي كُنْتُ مِنَ الظَّالِمِينَ».
(Er is geen god dan U, Heilig Bent U, ik was werkelijk een van de onrechtplegers)164.
«اللَّهُ اللَّهُ رَبِّي لَا أُشْرِكُ بِهِ شَيْئًا».
(Allah, Allah is mijn Heer, ik maak geen enkele deelgenoot aan Hem)165.
Doe'a voor het ontmoeten van de vijand en degene met gezag.
«اللَّهُمَّ إِنَّا نَجْعَلُكَ فِي نُحُورِهِم، وَنَعُوذُ بِكَ مِنْ شُرُورِهِمْ».
(O Allah, wij plaatsen U in hun nekken en wij zoeken bescherming bij U tegen hun kwade daden)166.
«اللَّهُمَّ أَنْتَ عَضُدِي، وَأَنْتَ نَصِيرِي، بِكَ أَحُولُ وَبِكَ أَصُولُ، وَبِكَ أُقاتِلُ».
(O Allah, U bent mijn steun, en U bent mijn helper. Met U draai ik en met U ga ik te werk en met U strijd ik)167.
«حَسْبُنا اللَّهُ وَنِعْمَ الوَكِيلُ».
(Allah is genoeg voor ons en Hij is de beste Beschermer)168.
Doe'a voor degene die vreest voor het onrecht van de heerser
«اللَّهُمَّ ربَّ السَّمَوَاتِ السَّبْعِ، وَرَبَّ العَرْشِ العَظِيمِ، كُنْ لِي جَارًا مِنْ فُلَانِ بْنِ فُلَانٍ، وَأَحْزَابِهِ مِنْ خَلَائِقِكَ، أَنْ يَفْرُطَ عَلَيَّ أَحَدٌ مِنْهُمْ أَوْ يَطْغَى، عَزَّ جَارُكَ، وَجَلَّ ثَنَاؤُكَ، وَلَا إِلَهَ إِلَّا أَنْتَ».
(O Allah, Heer van de zeven hemelen en Heer van de grote troon, wees mijn beschermer tegen die persoon die zoon van die persoon en zijn volgelingen van Uw schepselen, zodat niemand van hen mijn schade toebrengt of zich tegen mij verheft. Verheven is Uw bescherming en groot is Uw lof, er is geen god behalve U)169.
«اللَّهُ أَكْبَرُ، اللَّهُ أَعَزُّ مِنْ خَلْقِهِ جَمِيعًا، اللَّهُ أَعَزُّ مِمَّا أَخَافُ وَأَحْذَرُ، أَعُوذُ بِاللَّهِ الَّذِي لَا إِلَهَ إِلَّا هُوَ، المُمْسِكِ السَّمَوَاتِ السَّبْعِ أَنْ يَقَعْنَ عَلَى الأَرْضِ إِلَّا بِإِذْنِهِ، مِنْ شَرِّ عَبْدِكَ فُلَانٍ، وَجُنُودِهِ وَأَتْبَاعِهِ وَأَشْيَاعِهِ، مِنَ الجِنِّ وَالإِنْسِ، اللَّهُمَّ كُنْ لِي جَارًا مِنْ شَرِّهِمْ، جَلَّ ثَنَاؤُكَ وَعَزَّ جَارُكَ، وَتَبَارَكَ اسْمُكَ، وَلَا إِلَهَ غَيْرُكَ»
(Allah is de Grootste, Allah is Machtiger dan al Zijn schepselen, Allah is Machtiger dan datgene waarvoor ik vrees en voor datgene waar ik voor waak. Ik zoek toevlucht bij Allah, Degene tegen Wie er geen god is, de Bewaarder van de zeven hemelen zodat zij niet op de aarde vallen zonder Zijn toestemming, tegen het kwaad van Uw dienaar [naam], en zijn legers, volgelingen, metgezellen, zowel van de djinn als de mensen. O Allah, wees mijn beschermer tegen hun kwaad. Verheven is Uw lof en groot is Uw bescherming, gezegend is Uw naam, en er is geen god behalve U)
ثَلَاثَ مَرَّاتٍ.
Drie keren170.
Doe'a tegen de vijand.
«اللَّهُمَّ مُنْزِلَ الكِتَابِ، سَرِيعَ الحِسَابِ، اهْزِمِ الأَحْزَابَ، اللَّهُمَّ اهزِمْهُمْ وَزَلْزِلْهُمْ».
(O Allah, Degene die het Boek heeft neergedaald, de Snelste in de Berekening, versla de coalities, O Allah, versla hen en doe hen beven)171.
Wat zegt degene die bang is voor een volk.
«اللَّهُمَّ اكْفِنِيهِمْ بِمَا شِئْتَ».
(O Allah, wees mij genoeg tegen hen met wat U wilt)172.
Doe'a van degene die door twijfels in het geloof wordt getroffen:
(Ik zoek toevlucht bij Allah)173. Hij zegt: (Ik zoek toevlucht bij Allah tegen de vervloekte satan).
(Hij stopt met hetgeen waarover hij twijfelt)174.
(Hij zei:
(آمَنْتُ بِاللَّهِ وَرُسُلِهِ).
(Ik geloof in Allah en Zijn boodschappers)175.
(Hij leest zijn uitspraak, de Verhevene:
﴿هُوَ ٱلۡأَوَّلُ وَٱلۡأٓخِرُ وَٱلظَّٰهِرُ وَٱلۡبَاطِنُۖ وَهُوَ بِكُلِّ شَيۡءٍ عَلِيمٌ 3﴾
Hij is de Eerste en de Laatste, de Openbare en de Verborgen en Hij is van alles op de hoogte).
[Al-Hadid:3]176.
Doe'a om de afbetaling van de schuld.
«اللَّهُمَّ اكْفِنِي بِحَلَالِكَ عَنْ حَرَامِكَ، وَأَغْنِنِي بِفَضْلِكِ عَمَّنْ سِوَاكَ».
(O Allah, vervul mijn behoeften met hetgeen dat toegestaan is en behoed mij voor het verboden en maak mij rijk met Uw genade, zodat ik geen behoefte heb aan anderen dan U)177.
«اللَّهُمَّ إِنِّي أَعُوذُ بِكَ مِنَ الهَمِّ وَالحَزَنِ، وَالعَجْزِ وَالكَسَلِ، وَالبُخْلِ وَالجُبْنِ، وَضَلَعِ الدَّيْنِ وَغَلَبَةِ الرِّجَالِ».
(O Allah, voorwaar, ik zoek toevlucht bij U tegen bezorgdheid en verdriet, tegen onbekwaamheid en luiheid, tegen gierigheid en lafheid, tegen de last van schulden en de overheersing van mensen)178.
Dee'a tegen de insinuaties van de duivel in het gebed en de recitatie.
«أَعُوذُ بِاللَّهِ مِنَ الشَّيطَانِ الرَّجِيمِ،
'A'oedzoe billahi mina shaytani erradjiem,'
وَاتْفُلْ عَلَى يَسَارِكَ (ثَلَاثًا)».
(En spuug drie keer naar links)179.
Doe'a voor degene voor wie een zaak moeilijk is geworden.
«اللَّهُمَّ لَا سَهْلَ إِلَّا مَا جَعَلْتَهُ سَهْلًا، وَأَنْتَ تَجْعَلُ الحَزْنَ إِذَا شِئْتَ سَهْلًا».
(O Allah, er is niets gemakkelijker dan wat U gemakkelijk maakt en U maakt verdriet gemakkelijk wanneer U dat wilt)180.
Wat zegt en doet degene die een zonde heeft begaan.
«مَا مِنْ عَبْدٍ يُذنِبُ ذَنْبًا فَيُحْسِنُ الطُّهُورَ، ثُمَّ يَقُومُ فَيُصَلِّي رَكْعَتَيْنِ، ثُمَّ يَسْتَغْفِرُ اللَّهَ إِلَّا غَفَرَ اللَّهُ لَهُ».
(Er is geen dienaar die een zonde begaat, zich vervolgens goed reinigt, daarna opstaat en twee rak'ahs bidt en daarna om vergeving van Allah vraagt, tenzij Allah hem vergeving schenkt)181.
Doe'a tegen de duivel en om zijn fluisteringen te verjagen.
(Het toevlucht nemen tot Allah tegen hem)182.
(Het oproept tot het gebed)183.
(Ad-Dhkaar en het reciteren van de Koran).
«لَا تَجْعَلُوا بُيُوتَكُمْ مَقَابِرَ، إِنَّ الشَّيْطَانَ يَنْفِرُ مِنَ الْبَيْتِ الَّذِي تُقْرَأُ فِيهِ سُورَةُ الْبَقَرَةِ».
"Maak jullie huizen niet tot graven, want de duivel vlucht weg uit het huis waarin Soera Al-Baqarah wordt gereciteerd."184.
En wat de duivel verdrijft zijn de gedenkingen van de ochtend en de avond, het slapen en het ontwaken, het binnengaan en het verlaten van het huis, het binnengaan en het verlaten van de moskee en andere wettige gedenkingen, zoals het reciteren van de Ayat Al-Koersi bij het slapen en de laatste twee verzen van Soera Al-Baqarah. Wie zegt:
لَا إِلٰهَ إِلَّا اللَّهُ وَحْدَهُ لَا شَرِيكَ لَهُ، لَهُ الْمُلْكُ وَلَهُ الْحَمْدُ، وَهُوَ عَلَىٰ كُلِّ شَيْءٍ قَدِيرٌ
Er is geen god dan Allah, Hij is de Enige, zonder deelgenoten. Aan Hem behoort het Koninkrijk en alle lof komt Hem toe, en Hij heeft macht over alle dingen.
مِائَةَ مَرَّةٍ، كَانَت لَهُ حِرْزًا مِنَ الشَّيْطَانِ يَومِهِ كُلِّهِ،
Honderd keer, het zal hem beschermen tegen de duivel gedurende zijn hele dag185, En evenzo verdrijft de adhaan de duivel.
Doe'a wanneer er iets gebeurt dat hij niet wenst of wanneer hij overweldigd wordt door zijn zaak.
«قَدَرُ اللَّهُ وَمَا شَاءَ فَعَلَ».
(Het lot van Allah, en wat Hij wil, doet Hij)186.
De felicitaties voor de pasgeborene en zijn antwoord.
«بَارَكَ اللَّهُ لَكَ فِي المَوْهُوبِ لَكَ، وَشَكَرْتَ الوَاهِبَ، وَبَلَغَ أَشُدَّهُ، وَرُزِقْتَ بِرَّهُ».
(Moge Allah zegeningen schenken voor wat aan jou gegeven is, en moge jij de Gever danken, en moge hij zijn volwassenheid bereiken, en moge hij voorzien worden van zijn deugdzaamheid)187.
En de gefeliciteerde antwoordt hem en zegt:
«بَارَكَ اللَّهُ لَكَ وَبَارَكَ عَلَيْكَ، وَجَزَاكَ اللَّهُ خَيْرًا، وَرَزَقَكَ اللَّهُ مِثْلَهُ، وَأَجْزَلَ ثَوَابَكَ».
(Moge Allah zegeningen schenken voor jou en op jou, moge Allah je het goede belonen, moge Allah je hetzelfde schenken en moge Hij jouw beloning groot maken)188.
Wat gebruikt wordt voor de bescherming van kinderen.
De Boodschapper van Allah (vrede zij met hem) gebruikte ter beschermen van Al-Hasan en Al-Hoesain (moge Allah tevreden zijn met hen) met de woorden:
«أُعِيذُكُمَا بِكَلِمَاتِ اللَّهِ التَّامَّةِ مِنْ كُلِّ شَيْطَانٍ وَهَامَّةٍ، وَمِنْ كُلِّ عَيْنٍ لَامَّةٍ».
(Ik bescherm jullie met de volledige woorden van Allah tegen elke demon en elk gevaarlijk wezen en tegen elke boze oog)189.
Doe'a voor de zieke bij bezoek.
«لَا بأْسَ طَهُورٌ إِنْ شَاءَ اللَّهُ».
(Geen kwaad, het is een reiniging, Inshallah)190.
«أَسْأَلُ اللَّهَ العَظِيمَ رَبَّ العَرْشِ العَظِيمِ أَنْ يَشْفيَكَ».
(Ik vraag Allah, de Almachtige, de Heer van de Grote Troon, om jou genezing te schenken)
(Zeven keer)191.
De verdienste van het bezoeken van de zieke
De Profeet (vrede zij met hem) zei:
«إِذَا عَادَ الرَّجُلُ أَخَاهُ الْمُسْلِمَ مَشَى فِي خِرَافَةِ الجَنَّةِ حَتَّى يَجْلِسَ، فَإِذَا جَلَسَ غَمَرَتْهُ الرَّحْمَةُ، فَإِنْ كَانَ غُدْوَةً صَلَّى عَلَيْهِ سَبْعُونَ أَلْفَ مَلَكٍ حَتَّى يُمْسِيَ، وَإِنْ كَانَ مَسَاءً صَلَّى عَلَيْهِ سَبْعُونَ أَلْفَ مَلَكٍ حَتَّى يُصْبِحَ».
(Wanneer een man zijn moslimbroeder bezoekt, loopt hij in de grasvelden van het paradijs totdat hij zit. Zodra hij zit, wordt hij omgeven door genade. Als het in de ochtend is, bidden ze zeventigduizend engelen voor hem totdat het avond wordt en als het in de avond is, bidden ze zeventigduizend engelen voor hem totdat het ochtend is)192.
Doe'a voor de zieke die de hoop op zijn leven heeft opgegeven.
«اللَّهُمَّ اغْفِرْ لِي، وَارْحَمْنِي، وَأَلْحِقْنِي بِالرَّفِيقِ الأَعْلَى».
(O Allah, vergeef mij, heb genade met mij en voeg mij bij de hooggeplaatsten)193.
(De Profeet (vrede zij met hem) stelde, bij zijn overlijden, zijn handen in het water en veegde hiermee over zijn gezicht, terwijl hij zei: ‘Er is geen god dan Allah. Voorwaar, de dood heeft Sakarat (een vorm van pijn).
«لَا إِلَهَ إِلَّا اللَّهُ
(Er is geen god behalve Allah
إِنَّ لِلْمَوْتِ سَكَرَاتٍ».
"Voorwaar, de dood kent pijnen"194.
«لَا إِلَهَ إِلَّا اللَّهُ وَاللَّهُ أَكْبَرُ، لَا إِلَهَ إِلَّا اللَّهُ وَحْدَهُ، لَا إِلَهَ إِلَّا اللَّهُ وَحْدَهُ لَا شَرِيكَ لَهُ، لَا إِلَهَ إِلَّا اللَّهُ لَهُ المُلْكُ وَلَهُ الحَمْدُ، لَا إِلَهَ إِلَّا اللَّهُ وَلَا حَوْلَ وَلَا قُوَّةَ إِلَّا بِاللَّهِ».
(Er is geen god dan Allah en Allah is de Grootste, er is geen god dan Allah, de Enige, er is geen god dan Allah, de Enige zonder deelgenoot, er is geen god dan Allah, van Hem is het koninkrijk en aan Hem behoort alle lof, er is geen god dan Allah, en er is geen kracht of macht dan door Allah)195.
Het voorlezen voor de stervende
«مَنْ كَانَ آخِرُ كَلَامِهِ
(Wie het laatste van zijn woorden
لَا إِلَهَ إِلَّا اللَّهُ
Er is buiten Allah geen God die het recht heeft om aanbeden te worden
دَخَلَ الجَنَّة».
zal het paradijs binnentreden)196.
Doe'a voor degene die getroffen is door een tegenslag
«إِنَّا لِلَّهِ وَإِنَّا إِلَيْهِ رَاجِعُونَ، اللَّهُمَّ أْجُرْنِي فِي مُصِيبَتِي، وَأَخْلِفْ لِي خَيْرًَا مِنْهَا».
(Voorwaar, wij behoren tot Allah en voorwaar, tot Hem keren wij terug. O Allah, beloon mij in mijn tegenslag en vervang het met iets beters)197.
Doe'a bij het sluiten van de ogen van de overledene.
«اللَّهُمَّ اغْفِرْ لِفُلَانٍ (بِاسْمِهِ) وَارْفَعْ دَرَجَتَهُ فِي المَهْدِيِّينَ، وَاخْلُفْهُ فِي عَقِبِهِ فِي الغَابِرِينَ، وَاغْفِرْ لَنَا وَلَهُ يَا رَبَّ العَالَمِينَ، وَافْسَحْ لَهُ فِي قَبْرِهِ، وَنَوِّرْ لَهُ فِيهِ».
(O Allah, vergeef voor die-en-die (met zijn naam) en verhoog zijn rang onder de rechtgeleiden, vervang hem in zijn afstammelingen onder degenen die achterblijven en vergeef ons en hem, o Heer der werelden. Maak zijn graf ruim voor hem en verlicht het voor hem)198.
Doe'a voor de overledene in het gebed voor hem.
«اللَّهُمَّ اغْفِرْ لَهُ وَارْحَمْهُ، وَعَافِهِ، وَاعْفُ عَنْهُ، وَأَكْرِمْ نُزُلَهُ، وَوَسِّعْ مُدْخَلَهُ، وَاغْسِلْهُ بِالمَاءِ وَالثَّلْجِ وَالبَرَدِ، وَنَقِّهِ مِنَ الخَطَايَا كَمَا نَقَّيْتَ الثَّوْبَ الأَبْيَضَ مِنَ الدَّنَسِ، وَأَبْدِلْهُ دَارًا خَيْرًا مِنْ دَارِهِ، وَأَهْلاً خَيْرًا مِنْ أَهْلِهِ، وَزَوْجًَا خَيًْرا مِنْ زَوْجِهِ، وَأَدْخِلْهُ الجَنَّةَ، وَأَعِذْهُ مِنْ عَذَابِ القَبْرِ [وَعَذَابِ النَّارِ]».
(O Allah, vergeef hem en heb genade met hem, en geef hem gezondheid, en vergeef hem, en eer zijn verblijf, en verruim zijn toegang, en was hem met water, sneeuw en hagel, en reinig hem van zijn zonden zoals een wit kleed gereinigd wordt van vuil en vervang zijn huis door een beter huis en zijn familie door een betere familie en zijn vrouw door een betere vrouw en laat hem het paradijs binnengaan en bescherm hem tegen de straf van het graf [en de straf van het vuur])199.
«اللَّهُمَّ اغْفِرْ لِحَيِّنَا وَمَيِّتِنَا، وَشَاهِدِنَا وَغَائِبِنَا، وَصَغِيرِنَا وَكَبِيرِنَا، وَذَكَرِنَا وَأُنْثَانَا، اللَّهُمَّ مَنْ أَحْيَيْتَهُ مِنَّا فَأَحْيِهِ عَلَى الإِسْلَامِ، وَمَنْ تَوَفَّيْتَهُ مِنَّا فَتَوَفَّهُ عَلَى الإِيمَانِ، اللَّهُمَّ لَا تَحْرِمْنَا أَجْرَهُ، وَلَا تُضِلَّنَا بَعْدَهُ».
(O Allah, vergeef onze levenden en onze doden, onze aanwezigen en onze afwezigen, onze jongsten en onze oudsten, onze mannen en onze vrouwen. O Allah, wie van ons leeft, geef hem het leven in de Islam, en wie van ons sterft, laat hem sterven in het geloof. O Allah, laat ons geen beloning voor hem missen en laat ons niet dwalen na hem)200.
«اللَّهُمَّ إِنَّ فُلَانَ بْنَ فُلَانٍ فِي ذِمَّتِكَ، وَحَبْلِ جِوَارِكَ، فَقِهِ مِنْ فِتْنَةِ القَبْرِ، وَعَذَابِ النَّارِ، وَأَنْتَ أَهْلُ الوَفَاءِ وَالحَقِّ، فَاغْفِرْ لَهُ وَارْحَمْهُ إِنَّكَ أَنْتَ الغَفُورُ الرَّحيمُ».
(O Allah, inderdaad, de zoon van die-en-die is onder Uw bescherming en het koord van Uw buren. Bescherm hem tegen de beproeving van het graf en de straf van het vuur. U bent degene die trouw is en de waarheid kent. Vergeef hem en wees hem genadig, voor U bent de Meest Vergevende, de Meest Genadevolle)201
«اللَّهُمَّ عَبْدُكَ وَابْنُ أَمَتِكَ احْتَاجَ إِلَى رَحْمَتِكَ، وَأَنْتَ غَنِيٌّ عَنْ عَذَابِهِ، إِنْ كَانَ مُحْسِنًا فَزِدْ فِي حَسَنَاتِهِ، وَإِنْ كَانَ مُسِيئًا فَتَجَاوَزْ عَنْهُ».
(O Allah, uw dienaar en de zoon van uw dienares heeft behoefte aan Uw genade, terwijl U geen behoefte hebt aan zijn straf. Als hij goed heeft gehandeld, vermeerder dan zijn goede daden en als hij verkeerd heeft gehandeld, vergeef hem dan)202.
Doe'a voor de overledene tijdens het gebed voor hem.
«اللَّهُمَّ أَعِذْهُ مِنْ عَذَابِ القَبْرِ».
(O Allah, bescherm hem tegen de straf van het graf)203.
En als hij zegt:
«اللَّهُمَّ اجْعَلْهُ فَرَطًا وَذُخْرًا لِوَالِدَيْهِ، وَشَفِيعًا مُجَابًا، اللَّهُمَّ ثَقِّلْ بِهِ مَوَازِينَهُمَا، وَأَعْظِمْ بِهِ أُجورَهُمَا، وَأَلْحِقْهُ بِصَالِحِ المُؤْمِنِينَ، وَاجْعَلْهُ فِي كَفَالَةِ إِبْرَاهِيمَ، وَقِهِ بِرَحْمَتِكَ عَذَابَ الجَحِيمِ، وَأَبْدِلْهُ دَارًا خَيْرًا مِنْ دَارِهِ، وَأَهْلًا خَيْرًا مِنْ أَهْلِهِ، اللَّهُمَّ اغْفِرْ لِأَسْلَافِنَا، وَأَفْرَاطِنَا، وَمَنْ سَبَقَنَا بِالإِيمَانِ»
"O Allah, maak hem een voortreffelijke en waardevolle bron voor zijn ouders, een bemiddelaar wiens pleidooi verhoord wordt. O Allah, verzwaar zijn goede daden op hun balans, verhoog hun beloningen, voeg hem toe aan de goede gelovigen, stel hem onder de zorg van Ibrahim, bescherm hem door Uw genade tegen de straf van de hel en vervang zijn huis door een beter huis en zijn familie door een betere familie. O Allah, vergeef onze voorouders, onze dierbaren en degenen die ons zijn voorafgegaan in het geloof."
"Dan is het goed204."
«اللَّهُمَّ اجْعَلْهُ لَنَا فَرَطًا، وَسَلَفًا، وَأَجْرًا».
(O Allah, maak hem voor ons een voorloper, een voorganger en een beloning)205
Doe'a voor het bieden van condoleances.
«إِنَّ للَّهِ مَا أَخَذَ، وَلَهُ مَا أَعْطَى، وَكُلُّ شَيْءٍ عِنْدَهُ بِأَجَلٍ مُسَمَّى... فَلْتَصْبِرْ وَلْتَحْتَسِبْ».
(Voorwaar, wat Allah neemt is van Hem en wat Hij geeft is van Hem en alles heeft bij Hem een vastgestelde termijn... Wees geduldig en verwacht (de beloning) van Hem)206.
En als hij zegt: (Moge Allah je beloning vermeerderen, je troost verfraaien en de overledene vergeven', dan is het goed).
«أَعْظَمَ اللَّهُ أَجْرَكَ، وَأَحْسَنَ عَزَاءَكَ، وَغَفَرَ لِمَيِّتِكَ»
(Moge Allah je beloning vermeerderen, je troost verfraaien en de overledene vergeven',
Dan is het goed207.
Doe'a bij het inbrengen van de overledene in het graf.
«بِسْمِ اللَّهِ وَعَلَى سُنَّةِ رَسُولِ اللَّهِ».
(In de naam van Allah en volgens de traditie van de Boodschapper van Allah)208.
Doe'a na het begraven van de overledene.
«اللَّهُمَّ اغْفِرْ لَهُ، اللَّهُمَّ ثَبِّتْهُ».
(O Allah, vergeef hem, o Allah, versterk hem)209.
Doe'a bij het bezoeken van de graven.
«السَّلاَمُ عَلَيْكُمْ أَهْلَ الدِّيَارِ، مِنَ المُؤْمِنِينَ وَالمُسْلِمِينَ، وَإِنَّا إِنْ شَاءَ اللَّهُ بِكُمْ لَاحِقُونَ، [وَيَرْحَمُ اللَّهُ المُسْتَقدِمِينَ مِنَّا وَالمُسْتأْخِرِينَ] أَسْاَلُ اللَّهَ لَنَا وَلَكُمُ العَافِيَةَ».
(Vrede zij met u, o bewoners van deze huizen, van de gelovigen en de moslims. Wij zullen, als Allah het wil, u vergezellen. [Moge Allah genade schenken aan degenen die eerder zijn gegaan en aan degenen die later komen.] Ik vraag Allah voor ons en voor u, gezondheid)210.
Doe'a voor de wind
«اللَّهُمَّ إِنِّي أَسْأَلُكَ خَيْرَهَا، وَأَعُوذُ بِكَ مِنْ شَرِّهَا».
(O Allah, ik vraag U om het goede ervan en zoek toevlucht bij U voor het kwade ervan)211.
«اللَّهُمَّ إِنِّي أَسْأَلُكَ خَيْرَهَا، وَخَيْرَ مَا فِيهَا، وَخَيْرَ مَا أُرْسِلَتْ بِهِ، وَأَعُوذُ بِكَ مِنْ شَرِّهَا، وَشَرِّ مَا فِيهَا، وَشَرِّ مَا أُرْسِلَتْ بِهِ».
(O Allah, ik vraag U haar goede, en het goede van wat erin zit, en het goede van wat ermee is gezonden en ik zoek toevlucht bij U tegen haar kwaad en het kwaad van wat erin zit en het kwaad van wat ermee is gezonden)212.
Doe'a bij de donder.
«سُبْحَانَ الَّذِي يُسَبِّحُ الرَّعْدُ بِحَمْدِهِ وَالمَلَائِكَةُ مِنْ خِيفَتِهِ».
(Glorie zij aan Hem, aan Wie de donder Zijn lof verkondigt met Zijn prijs en de engelen uit angst voor Hem)213.
Doe'a bij het vragen regen.
«اللَّهُمَّ اسْقِنَا غَيْثًا مُغِيثًا مَرِيئًا مَرِيعًا، نَافِعًا غَيْرَ ضَارٍّ، عَاجِلًا غَيْرَ آجِلٍ».
(O Allah, geef ons regen die verkwikkend, verfrissend, heilzaam, niet schadelijk, onmiddellijk en niet uitstelbaar is)214.
«اللَّهُمَّ أَغِثْنَا، اللَّهُمَّ أَغِثْنَا، اللَّهُمَّ أَغِثْنَا».
(O Allah, verlicht ons, O Allah, verlicht ons, O Allah, verlicht ons)215.
«اللَّهُمَّ اسْقِ عِبَادَكَ، وَبَهَائِمَكَ، وَانْشُرْ رَحْمَتَكَ، وَأَحْيِي بَلَدَكَ المَيِّتَ».
(O Allah, geef te drinken aan Uw dienaren, aan Uw vee, verspreid Uw genade en geef leven aan Uw dode land)216.
Doe'a als de regen ziet.
«اللَّهُمَّ صَيِّبًا نَافِعًا».
(O Allah, een nuttige regen)217.
Ad-Dikr na het neerkomen van de regen.
«مُطِرْنَا بِفَضْلِ اللَّهِ وَرَحْمَتِهِ».
(Wij zijn neergeregend door de genade en barmhartigheid van Allah)218.
Doe'a voor het vragen naar gezondheid.
«اللَّهُمَّ حَوَالَيْنَا وَلَا عَلَيْنَا، اللَّهُمَّ عَلَى الآكَامِ وَالظِّرَابِ، وَبُطُونِ الأَوْدِيَةِ، وَمَنَابِتِ الشَّجَرِ».
(O Allah, rondom ons en niet boven ons, O Allah, op de heuvels en de vlaktes, en op de bodem van de valleien, en op de plaatsen waar bomen groeien)219.
Doe'a bij het zien van de maansikkel.
«اللَّهُ أَكْبَرُ، اللَّهُمَّ أَهِلَّهُ عَلَيْنَا بِالأَمْنِ وَالإِيمَانِ، وَالسَّلَامَةِ وَالإِسْلَامِ، وَالتَّوْفِيقِ لِمَا تُحِبُّ رَبَّنَا وَتَرْضَى، رَبُّنَا وَرَبُّكَ اللَّهُ».
(Allah is de Grootste. O Allah, laat deze nieuwe maan op ons komen met veiligheid en geloof, met de vrede en de Islam, en geef ons succes in wat U, onze Heer, het meest behaagt en tevreden maakt. Onze Heer en uw Heer is Allah)220.
Doe'a bij het verbreken van de vasten.
«ذَهَبَ الظَّمَأُ وَابْتَلَّتِ العُرُوقُ، وَثَبَتَ الأَجْرُ إِنْ شَاءَ اللَّهُ».
(Het dorst is voorbij, de aderen zijn bevochtigd en de beloning is bevestigd, als Allah het wil)221.
«اللَّهُمَّ إِنِّي أَسْأَلُكَ بِرَحْمَتِكَ الَّتِي وَسِعَتْ كُلَّ شَيْءٍ أَنْ تَغْفِرَ لِي».
(O Allah, ik vraag U, door Uw genade die alles omvat, om mij te vergeven)222.
Doe'a voor het eten.
«إِذَا أَكَلَ أَحَدُكُمْ طَعَامًا فَلْيَقُلْ:
(Wanneer een van jullie voedsel eet, zeg dan:
بِسْمِ اللَّهِ،
In de naam van Allah,
فَإِنْ نَسِيَ فِي أَوَّلِهِ فَلْيَقُلْ:
Als hij dat vergeet aan het begin, laat hij dan zeggen:
بِسْمِ اللَّهِ فِي أَوَّلِهِ وَآخِرِهِ».
(In de naam van Allah, aan het begin en aan het einde)223.
«مَنْ أَطْعَمَهُ اللَّهُ الطَّعَامَ فَلْيَقُلْ:
(Wie door Allah voedsel is gegeven, laat hem dan zeggen:
اللَّهُمَّ بَارِكْ لَنَا فِيهِ وَأَطْعِمْنَا خَيْرًا مِنْهُ،
O Allah, zegen ons daarin en geef ons beter dan dit,
وَمَنْ سَقَاهُ اللَّهُ لَبَنًا فَلْيَقُلْ:
En wie door Allah melk is gegeven, laat hem dan zeggen:
اللَّهُمَّ بَارِكْ لَنَا فِيهِ وَزِدْنَا مِنْهُ».
(O Allah, zegen ons erin en geef ons er meer van)224.
Doe'a na het eindigen van het eten.
«الحَمْدُ لِلَّهِ الَّذِي أَطْعَمَنِي هَذَا، وَرَزَقَنِيهِ، مِنْ غَيْرِ حَوْلٍ مِنِّي وَلَا قُوَّةٍ».
(Prijs Allah Die mij dit heeft gegeven om te eten en het mij heeft verleend, zonder dat het door mijn eigen kracht of vermogen kwam)225.
«الْحَمْدُ لِلَّهِ حَمْدًا كَثِيرًا طَيِّبًا مُبَارَكًا فِيهِ، غَيْرَ [مَكْفِيٍّ وَلَا] مُوَدَّعٍ، وَلَا مُسْتَغْنَىً عَنْهُ رَبَّنَا».
(Alle lof zij Allah, veel lof, zuiver en gezegend daarin, niet voldoende, noch genomen als afscheid, noch onafhankelijk van Hem, onze Heer)226.
Doe'a van de gast voor de gastheer van het eten
«اللَّهُمَّ بَارِكْ لَهُمْ فِيمَا رَزَقْتَهُم، وَاغْفِرْ لَهُمْ وَارْحَمْهُمْ».
(O Allah, zegen hen in hetgeen U hen hebt geschonken, vergeef hen en wees hen genadig)227.
Het indirect vragen om voedsel of drank door middel van een Doe'a.
«اللَّهُمَّ أَطْعِمْ مَنْ أَطْعَمَنِي، وَاسْقِ مَنْ سَقَانِي».
(O Allah, geef voedsel aan wie mij voedsel heeft gegeven en laat drinken wie mij te drinken heeft gegeven)228.
Doe'a wanneer men het vasten verbreekt bij het huis van iemand.
«أَفْطَرَ عِنْدَكُمُ الصَّائِمُونَ، وَأَكَلَ طَعَامَكُمُ الأَبْرَارُ، وَصَلَّتْ عَلَيْكُمُ المَلَائِكَةُ».
(De vastenden hebben het bij jullie verbroken, de rechtvaardigen hebben van jullie voedsel gegeten en de engelen hebben voor jullie gebeden)229.
Doe'a van de vastende wanneer het voedsel aanwezig is maar hij niet heeft gegeten.
«إِذَا دُعِيَ أَحَدُكُمْ فَلْيُجِبْ، فَإِنْ كَانَ صَائِمًا فَلْيُصَلِّ، وَإِنْ كَانَ مُفْطِرًا فَلْيَطْعَمْ»،
(Wanneer een van jullie wordt uitgenodigd, laat hem dan de uitnodiging accepteren. Als hij vast, laat hem dan bidden en als hij niet vast, laat hem dan eten)230،
En de betekenis van 'laat hem bidden' is: 'laat hem een doe'a verrichten.
Wat de vastende zegt wanneer iemand hem beledigt
«إِنِّي صَائِمٌ، إِنِّي صَائِمٌ».
(Ik vast, ik vast)231.
Doe'a bij het zien van de eerste vruchten.
«اللَّهُمَّ بَارِكْ لَنَا فِي ثَمَرِنَا، وَبَارِكْ لَنَا فِي مَدِينَتِنَا، وَبَارِكْ لَنَا فِي صَاعِنَا، وَبَارِكْ لَنَا فِي مُدِّنَا».
(O Allah, zegen ons in onze vruchten, zegen ons in onze stad, zegen ons in onze saa‘ (een meeteenheid), en zegen ons in onze moedd (een meeteenheid) )232.
Doe'a bij het niezen.
«إِذَا عَطَسَ أَحَدُكُم فَلْيَقُلِ:
(Wanneer een van jullie niest, laat hem dan zeggen:
الحَمْدُ لِلَّهِ،
Alle lof is voor Allah,
وَلْيَقُلْ لَهُ أَخُوهُ أَوْ صَاحِبُهُ:
En zijn broeder of vriend zou moeten zeggen:
يَرْحَمُكَ اللَّهُ،
Moge Allah je genadig zijn,
فَإِذَا قَالَ لَهُ: يَرحَمُكَ اللَّهُ، فَلْيَقُلْ:
Als iemand tegen je zegt: "Yarhamoek Allah" (Moge Allah je genadig zijn), antwoord dan met:
يَهْدِيكُمُ اللَّهُ وَيُصْلِحُ بَالَكُم».
(Moge Allah jullie leiden en jullie zaken verbeteren)233.
Wat er tegen de ongelovige wordt gezegd wanneer hij niest en Allah lof toezegt.
«يَهْدِيكُمُ اللَّهُ وَيُصْلِحُ بَالَكُمْ».
(Moge Allah jullie leiden en jullie zaken verbeteren)234
Doe'a voor de getrouwde.
«بَارَكَ اللَّهُ لَكَ، وَبَارَكَ عَلَيْكَ، وَجَمَعَ بَيْنَكُمَا فِي خَيْرٍ».
(Moge Allah zegenen wat voor jou is, moge Allah zegenen wat op jou rust en moge Hij jullie beiden bijeenbrengen in het goede)235
Doe'a van de gehuwde en het kopen van een rijdier.
"Wanneer iemand van jullie een vrouw trouwt, of een dienaar koopt, laat hij dan zeggen":
«اللَّهُمَّ إِنِّي أَسْأَلُكَ خَيْرَهَا، وَخَيْرَ مَا جَبَلْتَهَا عَلَيْهِ، وَأَعُوذُ بِكَ مِنْ شَرِّهَا، وَشَرِّ مَا جَبَلْتَهَا عَلَيْهِ،
(O Allah, ik vraag U om haar goede eigenschappen en de goede eigenschappen die U haar hebt gegeven. En ik zoek toevlucht bij U tegen haar slechte eigenschappen en de slechte eigenschappen die U haar hebt gegeven),
وَإِذَا اشْتَرَى بَعِيرًا فَلْيَأْخُذْ بِذِرْوَةِ سَنَامِهِ وَلْيَقُلْ مِثْلَ ذَلِكَ».
En wanneer hij een kameel koopt, laat hem dan de top van de kamel vastpakken en hetzelfde zeggen"236.
Doe'a vóór het naderen van de vrouw.
«بِسْمِ اللَّهِ، اللَّهُمَّ جَنِّبْنَا الشَّيْطَانَ، وَجَنِّبِ الشَّيْطَانَ مَا رَزَقْتَنَا».
(In de naam van Allah, O Allah, bescherm ons tegen de duivel en bescherm de duivel tegen wat U ons hebt gegeven)237.
Doe'a bij woede.
«أَعُوذُ بِاللَّهِ مِنَ الشَّيْطَانِ الرَّجِيمِ».
(Ik zoek toevlucht bij Allah tegen de vervloekte satan)238.
Doe'a van degene die iemand met beproeving ziet.
«الحَمْدُ لِلَّهِ الَّذِي عَافَانِي مِمَّا ابْتَلَاكَ بِهِ، وَفَضَّلَنِي عَلَى كَثِيرٍ مِمَّنْ خَلَقَ تَفْضِيلًا».
(Alle lof behoort aan Allah, Die mij heeft vrijgesteld van wat Hij jou heeft beproefd en mij heeft begunstigd boven velen van Zijn schepselen met een uitmuntende voorkeur)239.
Wat er in een gezelschap gezegd wordt.
(Van Ibn Omar (moge Allah tevreden zijn met hem) werd overgeleverd: "Voor de Boodschapper van Allah (vrede zij met hem) werd in één bijeenkomst honderd keer gezegd, voordat hij opstond: 'Mijn Heer, vergeef mij en keer zich tot mij in genade, voorwaar, U bent de Alomvattende, de Meest Vergevingsgezinde).
«رَبِّ اغْفِرْ لِي، وَتُبْ عَلَيَّ، إِنَّكَ أَنْتَ التَّوَّابُ الغَفُورُ».
"O mijn Heer, vergeef mij en aanvaard mijn berouw. Zeker, U bent Degene Die berouw aanvaardt en de Vergevensgezinde"240.
De vergiffenis voor een bijeenkomst.
«سُبْحَانَكَ اللَّهُمَّ وَبِحَمْدِكَ، أَشْهَدُ أَنْ لَا إِلَهَ إِلَّا أَنْتَ، أَسْتَغْفِرُكَ وَأَتُوبُ إِلَيْكَ».
(Glorie zij U, o Allah, en lof zij U. Ik getuig dat er geen god is behalve U. Ik vraag om Uw vergiffenis en keer mij tot U in berouw)241.
Doe'a voor degene die zegt: "Moge Allah jou vergeven."
«وَلَكَ».
(En voor jou)242.
87. Doe'a voor degene die jou een gunst heeft bewezen.
«جَزَاكَ اللَّهُ خَيْرًا».
(Mag Allah jou het goede belonen)243.
Wat tegen tegen de Dajjaal wordt beschermt door Allah.
«مَنْ حَفِظَ عَشْرَ آيَاتٍ مِنْ أَوَّلِ سُورَةِ الكَهْفِ عُصِمَ مِنَ الدَّجَّالِ».
(Wie tien verzen van het begin van Soera Al-Kahf uit het hoofd leert, zal worden beschermd tegen de Dajjaal244 en het zoeken van toevlucht bij Allah tegen zijn beproeving na de laatste tashahhoed in elke salaat.
en het zoeken van toevlucht bij Allah tegen zijn beproeving na de laatste tashahhoed in elke salaat245.
Doe'a voor degene die zegt: "Ik hou van jou omwille van Allah".
«أَحَبَّكَ الَّذِي أَحْبَبْتَنِي لَهُ».
(Mag degene van wie jij van mij hield, jou liefhebben)246.
Doe'a voor degene die zijn bezit aan jou aanbiedt
«بَارَكَ اللَّهُ لَكَ فِي أَهْلِكَ وَمَالِكَ».
(Moge Allah zegeningen schenken over jouw gezin en bezit)247.
Doe'a voor degene die lening verstrekte bij de uitvoering van de uitspraak.
«بارَكَ اللَّهُ لَكَ فِي أَهْلِكَ وَمَالِكَ، إِنَّمَا جَزَاءُ السَّلَفِ الحَمْدُ وَالأَدَاءُ».
(Zij moge Allah zegenen voor jou in jouw gezin en bezit, waarlijk, de beloning voor het lenen is lof en terugbetaling)248.
Doe'a tegen de vrees voor polytheïsme
«اللَّهُمَّ إِنِّي أَعُوذُ بِكَ أَنْ أُشْرِكَ بِكَ وَأَنَا أَعْلَمُ، وَأَسْتَغْفِرُكَ لِمَا لَا أَعْلَمُ».
(O Allah, ik zoek toevlucht bij U tegen het feit dat ik U met iets zou associëren, terwijl ik het weet, en ik vraag om uw vergiffenis voor wat ik niet weet)249.
Doe'a voor degene die zegt: Moge Allah jou zegenen
«وَفِيكَ بَارَكَ اللَّهُ».
(En moge Allah jou ook zegenen)250.
Doe'a voor de afkeer van bijgeloof
«اللَّهُمَّ لَا طَيْرَ إِلَّا طَيْرُكَ، وَلَا خَيْرَ إِلَّا خَيْرُكَ، وَلَا إِلَهَ غَيْرُكَ».
(Allah, ik zoek toevlucht bij U tegen het kwaad van het bijgeloof)251.
Doe'a bij het rijden
«بِسْمِ اللَّهِ، وَالحَمْدُ للَّهِ
(In de naam van Allah, alle lof is voor Allah.
﴿سُبْحَانَ الَّذِي سَخَّرَ لَنَا هَذَا وَمَا كُنَّا لَهُ مُقْرِنِينَ
(Glorie zij Degene die dit voor ons heeft onderworpen, terwijl wij het niet konden beheersen
وَإِنَّا إِلَى رَبِّنَا لَمُنقَلِبُونَ﴾،
En wij zullen zeker terugkeren naar onze Heer)
الحَمْدُ لِلَّهِ، الحَمْدُ لِلَّهِ، الحَمْدُ لِلَّهِ، اللَّهُ أَكْبَرُ، اللَّهُ أَكْبَرُ، اللَّهُ أَكْبَرُ، سُبْحَانَكَ اللَّهُمَّ إِنِّي ظَلَمْتُ نَفْسِي فَاغْفِرْ لِي؛ فَإِنَّهُ لَا يَغْفِرُ الذُّنُوبَ إِلَّا أَنْتَ».
(Alle lof is voor Allah, alle lof is voor Allah, alle lof is voor Allah, Allah is de Grootste, Allah is de Grootste, Allah is de Grootste. Soebhanaka Allahoemma, ik heb mijn ziel onrecht aangedaan, vergeef mij, want niemand vergeeft de zonden behalve U)252.
Doe'a voor een reis
«اللَّهُ أَكْبَرُ، اللَّهُ أَكْبَرُ، اللَّهُ أَكْبَرُ،
Allah is de Grootste, Allah is de Grootste, Allah is de Grootste,
سُبْحَانَ الَّذِي سَخَّرَ لَنَا هَذَا وَمَا كُنَّا لَهُ مُقْرِنِينَ
(Glorie zij Degene die dit voor ons heeft onderworpen, terwijl wij het niet konden beheersen
وَإِنَّا إِلَى رَبِّنَا لَمُنقَلِبُونَ،
En zeker, wij zullen terugkeren naar onze Heer)
اللَّهُمَّ إِنّا نَسْأَلُكَ فِي سَفَرِنَا هَذَا البِرَّ وَالتَّقْوَى، وَمِنَ العَمَلِ مَا تَرْضَى، اللَّهُمَّ هَوِّنْ عَلَيْنَا سَفَرَنَا هَذَا وَاطْوِ عَنَّا بُعْدَهُ، اللَّهُمَّ أَنْتَ الصَّاحِبُ فِي السَّفَرِ، وَالخَليفَةُ فِي الأَهْلِ، اللَّهُمَّ إِنِّي أَعُوذُ بِكَ مِنْ وَعْثَاءِ السَّفَرِ، وَكَآبَةِ المَنْظَرِ، وَسُوءِ المُنْقَلَبِ فِي المَالِ وَالأَهْلِ»،
(O Allah, wij vragen U om tijdens deze reis deugdzaam gedrag en vroomheid en werk dat U goedkeurt. O Allah, verlicht onze reis en verklein de afstand voor ons. O Allah, U bent onze metgezel tijdens de reis en de opvolger voor onze families. O Allah, ik zoek toevlucht bij U tegen de moeilijkheden van de reis, het verdriet van het uitzicht en de slechte afloop in bezit en familie).
En wanneer hij terugkeerde, zei hij deze en voegde eraan toe:
«آيِبُونَ، تائِبُونَ، عَابِدُونَ، لِرَبِّنَا حَامِدُونَ».
(Wij keren terug, wij bekennen onze zonden, wij aanbidden, wij prijzen onze Heer)253.
Doe'a bij het betreden van een dorp of stad
«اللَّهُمَّ رَبَّ السَّمَوَاتِ السَّبْعِ وَمَا أَظْلَلْنَ، وَرَبَّ الأَرَضِينَ السَّبْعِ وَمَا أَقْلَلْنَ، وَرَبَّ الشَّياطِينِ وَمَا أَضْلَلْنَ، وَرَبَّ الرِّيَاحِ وَمَا ذَرَيْنَ، أَسْأَلُكَ خَيْرَ هَذِهِ القَرْيَةِ، وَخَيْرَ أَهْلِهَا، وَخَيْرَ مَا فِيهَا، وَأَعُوذُ بِكَ مِنْ شَرِّهَا، وَشَرِّ أَهْلِهَا، وَشَرِّ مَا فِيهَا».
(O Allah, Heerser van de zeven hemelen en alles wat zij overschaduwen, Heerser van de zeven aarde en alles wat zij bevatten, Heerser van de demonen en alles wat zij misleiden, Heerser van de winden en alles wat zij verspreiden, ik vraag U om het beste van deze stad, het beste van haar mensen en het beste van wat er in is, en ik zoek toevlucht bij U tegen het kwaad ervan, het kwaad van haar mensen en het kwaad van wat erin is)254.
Doe'a bij het betreden van de markt
«لَا إِلَهَ إِلَّا اللَّهُ وَحْدَهُ لَا شَرِيكَ لَهُ، لَهُ المُلْكُ، وَلَهُ الحَمْدُ، يُحْيِي وَيُمِيتُ، وَهُوَ حَيٌّ لَا يَمُوتُ، بِيَدِهِ الخَيْرُ، وَهُوَ عَلَى كُلِّ شَيْءٍ قَدِيرٌ».
(Er is geen god dan Allah, de Enige, zonder Partner. Hem behoort het koninkrijk en Hem behoort de lof. Hij geeft leven en brengt de dood en Hij is Levende, de Nooit-dode. In Zijn Hand is het goede en Hij heeft macht over alles)255.
Doe'a wanneer het vervoermiddel in moeilijkheden komt
«بِسْمِ اللَّهِ».
(In de naam van Allah)256.
100. Doe'a van de reiziger voor de inwoner van de stad
«أَسْتَوْدِعُكُمُ اللَّهَ الَّذِي لَا تَضِيعُ وَدَائِعُهُ».
(Ik vertrouw jullie aan Allah toe, Wie geen enkele vertrouwenszaak verloren laat gaan)257.
Doe'a van de inwoner voor de reiziger
«أَسْتَوْدِعُ اللَّهَ دِينَكَ، وَأَمَانَتَكَ، وَخَوَاتِيمَ عَمَلِكَ».
(Ik vertrouw Allah jullie religie, jullie vertrouwen en het einde van jullie daden toe)258.
«زَوَّدَكَ اللَّهُ التَّقْوَى، وَغَفَرَ ذَنْبَكَ، وَيَسَّرَ لَكَ الخَيْرَ حَيْثُ ما كُنْتَ».
(Mag Allah je voorzien van vroomheid, je zonden vergeven en het goede voor je vergemakkelijken, waar je ook bent)259.
De takbeer (Allah is de Grootste) en tasbieh (Glorie zij Allah) tijdens de reis
Jabir (moge Allah tevreden zijn met hem) zei: "Wanneer wij omhoog gingen, riepen wij 'Takbier' (Allah is de Grootste), en wanneer wij naar beneden gingen, prezen wij Allah met 'Tasbieh' (Glorie zij Allah). "Wanneer wij omhoog gingen, riepen wij 'Takbier' (Allah is de Grootste), Hij zegt: (Allah is de grootste) En wanneer wij naar beneden gingen, prezen wij Allah met 'Tasbieh' (Glorie zij Allah)»260.
Hij zegt: (Glorie zij Allah)
Doe'a van de reiziger wanneer het vroeg in de ochtend is
«سَمَّعَ سَامِعٌ بِحَمْدِ اللَّهِ، وَحُسْنِ بَلَائِهِ عَلَيْنَا، رَبَّنَا صاحِبْنَا، وَأَفْضِلْ عَلَيْنَا، عَائِذًا بِاللَّهِ مِنَ النَّارِ».
(Een luisteraar heeft gehoord van de lof van Allah en van Zijn goede beproeving voor ons. O onze Heer, wees onze metgezel en schenk ons uw gunst en wij zoeken toevlucht bij Allah tegen het Vuur)261.
Doe'a wanneer men op een plaats aankomt tijdens een reis of anders
«أَعُوذُ بِكَلِمَاتِ اللَّهِ التَّامَّاتِ مِنْ شَرِّ مَا خَلَقَ».
(Ik zoek toevlucht bij de volledige woorden van Allah tegen het kwaad van wat Hij heeft geschapen)262.
Doe'a bij de terugkeer van de reis
«يُكَبِّرُ عَلَى كُلِّ شَرَفٍ ثَلَاثَ تَكْبِيرَاتٍ ثُمَّ يَقُولُ:
"Hij zegt op elke verhoging driemaal de Takbir, vervolgens zegt hij:
لَا إِلَهَ إِلَّا اللَّهُ وَحْدَهُ لَا شَرِيكَ لَهُ، لَهُ المُلْكُ، وَلَهُ الحَمْدُ، وَهُوَ عَلَى كُلِّ شَيْءٍ قَدِيرٌ، آيِبُونَ، تَائِبُونَ، عَابِدُونَ، لِرَبِّنا حَامِدُونَ، صَدَقَ اللَّهُ وَعْدَهُ، وَنَصَرَ عَبْدَهُ، وَهَزَمَ الأَحْزابَ وَحْدَهُ».
"Er is geen ware god dan Allah, de Enige, Die geen enkele deelgenoot heeft. Aan Hem behoort de heerschappij en aan Hem komt alle lof toe. Hij heeft macht over alle dingen. Wij keren terug tot Hem, berouwvol terugkerend, Hem aanbiddend en onze Heer prijzend. Allah heeft Zijn belofte waargemaakt, Zijn dienaar bijgestaan en de samengebundelde vijandige legers geheel op eigen kracht verslagen."263.
Wat degene zegt aan wie een zaak komt die hem verheugt of die hij niet goedkeurt
(Wanneer de Profeet (vrede zij met hem) iets kreeg dat hem verheugde, zei hij:
«الحَمْدُ لِلَّهِ الَّذِي بِنِعْمَتِهِ تَتِمُّ الصَّالِحَاتُ».
(Alle lof behoort aan Allah, wiens zegeningen de goede daden volmaakt maken)
En wanneer de Profeet (vrede zij met hem) iets kreeg dat hij niet goedkeurde, zei hij:
«الحَمْدُ لِلَّهِ عَلَى كُلِّ حَالٍ».
(Alle lof behoort aan Allah in elke situatie)264.
De waarde van het gebed voor de Profeet (vrede zij met hem)
De Profeet (vrede zij met hem) zei:
«مَنْ صَلَّى عَلَيَّ صَلَاةً صَلَّى اللَّهُ عَلَيْهِ بِهَا عَشْرًا».
(Wie een gebed voor mij verricht, zal Allah tien gebeden voor hem verrichten)265. Zoals dat hij zegt: (O Allah, zegen en geef vrede aan onze Profeet Mohammed).
En de Profeet (vrede zij met hem) zei:
«لَا تَجْعَلُوا قَبْرِي عِيدًا وَصَلُّوا عَلَيَّ؛ فَإِنَّ صَلَاتَكُم تَبْلُغُنِي حَيْثُ كُنْتُمْ».
(Maak mijn graf geen feestdag en verricht gebeden voor mij; want jullie gebeden bereiken mij, waar jullie ook zijn)266.
En de Profeet (vrede zij met hem) zei:
«البَخِيلُ مَنْ ذُكِرْتُ عِنْدَهُ فَلَمْ يُصَلِّ عَلَيَّ».
(De gierigaard is degene bij wie ik genoemd word en die geen gebed voor mij verricht)267
En de Profeet (vrede zij met hem) zei:
«إِنَّ لِلَّهِ مَلَائِكَةً سَيَّاحِينَ فِي الأَرْضِ يُبَلِّغُونِي مِنْ أُمَّتِي السَّلَامَ».
(Voorwaar, Allah heeft engelen die door de aarde reizen en mijn vrede van mijn oemma aan mij overbrengen)268.
En de Profeet (vrede zij met hem) zei:
«مَا مِنْ أَحَدٍ يُسَلِّمُ عَلَيَّ إِلَّا رَدَّ اللَّهُ عَلَيَّ رُوحِيَ حَتَّى أَرُدَّ عَلَيْهِ السَّلَامَ».
(Er is niemand die mij de Salam geeft, behalve dat Allah mijn ziel aan mij teruggeeft totdat ik hem de Salam teruggeef)269.
Het verspreiden van de vrede.
De Boodschapper van Allah (vrede zij met hem) zei:
«لَا تَدْخُلُوا الجَنَّةَ حَتَّى تُؤْمِنُوا، وَلَا تُؤْمِنُوا حَتَّى تَحَابُّوا، أَوَلَا أَدُلُّكُم عَلَى شَيْءٍ إِذَا فَعَلْتُمُوهُ تَحَابَبْتُم، أَفْشُوا السَّلَامَ بَيْنَكُمْ».
(Jullie zullen het Paradijs niet binnengaan totdat jullie geloven en jullie zullen niet geloven totdat jullie elkaar liefhebben. Zou ik jullie niet iets wijzen, zodat jullie elkaar zouden liefhebben? Verspreid de Salam onder jullie)270.
«ثَلَاثٌ مَنْ جَمَعَهُنَّ فَقَدْ جَمَعَ الإِيمَانَ: الإِنْصَافُ مِنْ نَفْسِكَ، وَبَذْلُ السَّلَامِ لِلْعَالَمِ، وَالإِنْفَاقُ مِنَ الإِقْتَارِ».
(Drie dingen: wie deze drie samenbrengt, heeft het geloof volledig verzameld: rechtvaardigheid tegenover jezelf, het geven van de vrede aan de wereld en het geven uit wat je schaars hebt)271.
En overgebracht door 'Abdellah bin Omar (moge Allah tevreden zijn met hen beiden): een man vroeg de Profeet (vrede zij met hem): (Welke Islam is het beste?" Hij zei: "Het geven van voedsel en het begroeten met Salam aan degenen die je kent en degenen die je niet kent).
«تُطْعِمُ الطَّعَامَ، وَتَقْرأُ السَّلَامَ عَلَى مَنْ عَرَفْتَ وَمَنْ لَمْ تَعْرِفْ».
"Het geven van voedsel en het begroeten met Salam aan degenen die je kent en degenen die je niet kent"272.
Hoe beantwoordt men de groet van een ongelovige wanneer hij groet?
«إذَا سَلَّمَ عَلَيْكُمْ أَهْلُ الكِتَابِ فَقُولُوا: وَعَلَيْكُمْ».
(Wanneer de mensen van het Boek jullie begroeten, antwoord dan: "En op jullie.")273.
Doe'a bij het horen van het kraaien van de haan en het balken van de ezel.
«إِذَا سَمِعْتُمْ صِيَاحَ الدِّيَكَةِ فَاسْأَلُوا اللَّهَ مِنْ فَضْلِهِ؛ فَإِنَّهَا رَأَتْ مَلَكًا،
(Wanneer jullie het gekraai van de haan horen, vraag Allah om Zijn genade, want deze heeft een engel gezien,
Zoals dat hij zegt: (O Allah, ik vraag U om Uw genade)
وَإِذَا سَمِعْتُمْ نَهِيقَ الحِمَارِ فَتَعَوَّذُوا بِاللَّهِ مِنَ الشَّيطَانِ؛ فَإِنَّهُ رَأَى شَيْطَانًا».
(En wanneer jullie het gebalk van de ezel horen, zoek toevlucht bij Allah tegen de duivel, want deze heeft een demon gezien)274. Zoals dat hij zegt: (Ik zoek toevlucht bij Allah tegen de vervloekte satan).
Doe'a bij het horen van het geblaf van honden 's nachts.
«إِذَا سَمِعْتُمْ نُبَاحَ الكِلَابِ وَنَهِيقَ الحَمِيرِ بِاللَّيْلِ فَتَعَوَّذُوا بِاللَّهِ مِنْهُنَّ؛ فَإِنَّهُنَّ يَرَيْنَ مَا لَا تَرَوْنَ».
(Wanneer jullie het geblaf van honden en het gebalk van ezels 's nachts horen, zoek dan toevlucht bij Allah tegen hen; want zij zien wat jullie niet zien)275.
Zoals dat hij zegt: "(Ik zoek toevlucht bij Allah tegen de vervloekte satan)."
Doe'a voor degene die ik beledigd heb
De Profeet (vrede zij met hem) zei:
«اللَّهُمَّ فَأَيُّمَا مُؤْمِنٍ سَبَبْتُهُ فَاجْعَلْ ذَلِكَ لَهُ قُرْبَةً إِلَيْكَ يَوْمَ القِيَامَةِ».
(O Allah, als ik een gelovige beledigd heb, maak dat dan een middel tot nabijheid tot U op de Dag der Opstanding)276.
Wat zegt een moeslim wanneer hij een andere moslim prijst?
De Profeet (vrede zij met hem) zei:
«إِذَا كَانَ أَحَدُكُم مَادِحًا صَاحِبَهُ لَا مَحَالَةَ فَلْيَقُلْ: أَحْسِبُ فُلَانًا وَاللَّهُ حَسِيبُهُ، وَلَا أُزَكِّي عَلَى اللَّهِ أَحَدًا، أَحْسِبُهُ –إِنْ كَانَ يَعْلَمُ ذَاكَ – كَذَا وَكَذَا».
(Wanneer een van jullie zijn metgezel prijst, laat hem dan zeggen: 'Ik beschouw die-en-die en Allah is zijn Oordeler. Ik prijs niemand bij Allah, ik beschouw hem (als hij dat verdient) als zodanig en zodanig)277.
Wat zegt een moeslim wanneer hij geprezen wordt?
«اللَّهُمَّ لَا تُؤَاخِذْنِي بِمَا يَقُولُونَ، وَاغْفِرْ لِي مَا لَا يَعْلَمُونَ، [وَاجْعَلْنِي خَيْرًا مِمَّا يَظُّنُّونَ]».
(O Allah, neem mij niet kwalijk voor wat zij zeggen en vergeef mij wat zij niet weten en maak mij beter dan wat zij denken)278.
Hoe de pelgrim in de staat van Ihram tijdens de hadj of oemra de lofdicht zegt
«لَبَّيْكَ اللَّهُمَّ لَبَّيْكَ، لَبَّيْكَ لَا شَرِيكَ لَكَ لَبَّيْكَ، إِنَّ الحَمْدَ، وَالنِّعْمَةَ، لَكَ وَالمُلْكَ، لَا شَرِيكَ لَكَ».
(Hier ben ik, o Allah, hier ben ik! Hier ben ik, geen deelgenoot hebt U, hier ben ik. Zeker, alle lof, zegeningen en het koningschap zijn voor U, geen deelgenoot hebt U)279.
De takbeer (grootse lof) wanneer men bij de Zwarte Steen komt
«طَافَ النَّبيُّ ﷺ بِالْبَيْتِ عَلَى بَعِيرٍ كُلَّمَا أَتَى الرُّكْنَ أَشَارَ إِلَيْهِ بِشَيْءٍ عِنْدَهُ وَكَبَّرَ».
(De Profeet (vrede zij met hem) liep rond het Huis op een kameel. Elke keer als hij het hoeksteen bereikte, wees hij ermee naar iets bij hem en zei de takbeer)280.
Doe'a tussen de Zuidhoek en de Zwarte Steen (van de Ka'ba)
﴿...رَبَّنَآ ءَاتِنَا فِي ٱلدُّنۡيَا حَسَنَةٗ وَفِي ٱلۡأٓخِرَةِ حَسَنَةٗ وَقِنَا عَذَابَ ٱلنَّارِ﴾.
(Onze Heer, geef ons het goede in deze wereld en het goede in het hiernamaals en bescherm ons tegen de bestraffing van het Vuur)281
Doe'a bij het staan op de Safa en Marwa
(Waarlijk, het goede in deze wereld en het goede in het hiernamaals en bescherm ons tegen de bestraffing van het Vuur)
«إِنَّ الصَّفَا وَالْمَرْوَةَ مِنْ شَعَآئِرِ اللَّهِ...، أَبْدَأُ بِمَا بَدَأَ اللَّهُ بِهِ».
«(Voorwaar, As-Safa en Al-Marwa behoren tot de rituelen van Allah...) Ik begin met datgene waarmee Allah is begonnen.»
En hij begon bij de Safa, klom erop totdat hij het Huis zag, richtte zich naar de Qibla, prees Allah, loofde Hem en zei:
«لَا إِلَهَ إِلَّا اللَّهُ وَحْدَهُ لَا شَرِيكَ لَهُ، لَهُ المُلْكُ وَلَهُ الحَمْدُ وَهُوَ عَلَى كُلِّ شَيْءٍ قَدِيرٌ، لَا إِلَهَ إِلَّا اللَّهُ وَحْدَهُ، أَنْجَزَ وَعْدَهُ، وَنَصَرَ عَبْدَهُ، وَهَزَمَ الأَحْزَابَ وَحْدَهُ،
"Er is geen ware god dan Allah, de Enige, Die geen deelgenoot heeft. Aan Hem behoort de heerschappij en aan Hem behoort alle lof, en Hij is tot alle dingen machtig. Er is geen ware god dan Allah alleen: Hij heeft Zijn belofte vervuld, Zijn dienaar bijgestaan in overwinning, en de geallieerde legers geheel en al op eigen kracht verslagen."
ثُمَّ دَعَا بَيْنَ ذلكَ، قَالَ مِثْلَ هَذَا ثَلَاثَ مَرَّاتٍ»
Vervolgens verrichtte hij daartussen een smeekbede, hij zei iets soortgelijks drie keer. En in de overlevering staat: Vervolgens deed hij op Marwa zoals hij op Safa deed282.
Doe'a op de dag van 'Arafa
De Profeet (vrede zij met hem) zei:
«خَيْرُ الدُّعَاءِ دُعَاءُ يَوْمِ عَرَفَةَ، وَخَيْرُ مَا قُلْتُ أَنَا وَالنَّبيُّونَ مِنْ قَبْلِي:
(Het beste gebed is het gebed op de dag van Arafa en het beste dat ik en de profeten vóór mij hebben gezegd is:
لَا إِلَهَ إِلَّا اللَّهُ وَحْدَهُ لَا شَرِيكَ لَهُ، لَهُ المُلْكُ وَلَهُ الحَمْدُ وَهُوَ عَلَى كُلِّ شَيْءٍ قَدِيرٌ».
(Er is geen god dan Allah, Hij is de Ene, zonder Partner. Aan Hem behoort het Koninkrijk en aan Hem behoort alle lof en Hij heeft macht over alles)283. (De Profeet (vrede zij met hem) reed op de Qaswa (kameel van de profeet), totdat hij bij Mash'ar Al-Haram kwam, richtte zich naar de Qibla, bad tot Allah, loofde Hem, verklaarde Hem Eén en bleef staan totdat de dageraad duidelijk werd. Daarna vervolgde hij zijn weg voordat de zon opkwam)284. (Hij sprak at-takbier (Allahoe Akbar) telkens wanneer hij een steen wierp bij de drie zuilen. Daarna ging hij verder, stopte, bad in de richting van de Qibla en stak zijn handen op na het werpen van de eerste en tweede steen. Wat betreft de grote zuil (Jamarat Al-Aqaba), wierp hij de stenen, sprak de takbier bij elke steen en ging door zonder te stoppen)285.
Ad-Dhikr bij de heilige plaats van Mash'ar al-Haram
At-Takbier bij het werpen van de stenen bij de drie zuilen
Doe'a van verbazing en een goede zaak
«سُبْحَانَ اللَّهِ!»
(Glorie zij Allah!)286.
«اللَّهُ أَكْبَرُ!».
(Allah is de Grootste!)287.
Wat te doen wanneer men iets aangenaams overkomt
«كَانَ النَّبيُّ ﷺ إِذَا أَتَاهُ أَمْرٌ يَسُرُّهُ أَوْ يُسَرُّ بِهِ خَرَّ سَاجِدًا شُكْرًا لِلَّهِ تَبَارَكَ وَتَعَالَى».
De Profeet (vrede zij met hem) wanneer er iets was dat hem blij maakte of waarmee hij zich verheugde, viel op de grond in een nederige smeekbede en dankte Allah, de Verhevene, met eerbied.288.
Wat te doen en te zeggen wanneer men pijn in zijn lichaam voelt
«ضَعْ يَدَكَ عَلَى الَّذِي تَألَّمَ مِنْ جَسَدِكَ وَقُلْ:
(Plaats je hand op het pijnlijke deel van je lichaam en zeg:
بِسْمِ اللَّهِ،
In de naam van Allah,
ثَلَاثًا،
Drie keer,
وَقُلْ سَبْعَ مَرَّاتٍ:
En zeg zeven keer:
أَعُوذُ بِاللَّهِ وَقُدْرَتِهِ مِنْ شَرِّ مَا أَجِدُ وَأُحَاذِرُ».
(Ik zoek toevlucht bij Allah en Zijn macht tegen het kwaad van wat ik voel en vrees)289.
Doe'a voor degene die vreest dat iets zijn ogen zal treffen
«إِذَا رَأَى أَحَدُكُم مِنْ أَخِيهِ، أَوْ مِنْ نَفْسِهِ، أَوْ مِنْ مَالِهِ مَا يُعْجِبُهُ [فَلْيَدْعُ لَهُ بِالْبَرَكَةِ] فَإِنَّ العَيْنَ حَقٌّ».
(Wanneer een van jullie iets van zijn broer, of van zichzelf, of van zijn bezit ziet wat hem bevalt, laat hem dan voor hem zegenen, want de "ayn" (het kwaad oog) is waar)290.
Wat gezegd wordt bij angst
«لَا إِلَهَ إِلَّا اللَّهُ!».
(Er is geen god behalve Allah!)291.
Wat gezegd wordt bij het slachten of offeren
«بِسْمِ اللَّهِ وَاللَّهُ أَكْبَرُ [اللَّهُمَّ مِنْكَ وَلَكَ] اللَّهُمَّ تَقَبَّلْ مِنِّي».
(In de naam van Allah en Allah is de grootste [O Allah, van U en voor U] O Allah, accepteer het van mij)292.
Wat gezegd wordt om de boosaardige streken van de duivels af te weren
«أَعُوذُ بكَلِمَاتِ اللَّهِ التَّامَّاتِ الَّتِي لَا يُجَاوِزُهُنَّ بَرٌّ وَلَا فَاجِرٌ: مِنْ شَرِّ مَا خَلَقَ، وَبَرَأَ وَذَرَأَ، وَمِنْ شَرِّ مَا يَنْزِلُ مِنَ السَّمَاءِ، وَمِنْ شَرِّ مَا يَعْرُجُ فيهَا، وَمِنْ شَرِّ مَا ذَرَأَ فِي الأَرْضِ، وَمِنْ شَرِّ مَا يَخْرُجُ مِنْهَا، وَمِنْ شَرِّ فِتَنِ اللَّيْلِ وَالنَّهَارِ، وَمِنْ شَرِّ كُلِّ طَارِقٍ إِلَّا طَارِقًا يَطْرُقُ بِخَيْرٍ يَا رَحْمَنُ».
(Ik zoek toevlucht bij de volmaakte woorden van Allah, die niet door een rechtschapene of een boosdoener kunnen worden overschreden: van het kwaad van wat Hij heeft geschapen en wat Hij heeft voortgebracht en verspreid, en van het kwaad van wat neerdaalt uit de hemel en van het kwaad van wat opstijgt daarin en van het kwaad van wat Hij in de aarde heeft verspreid en van het kwaad van wat eruit voortkomt en van het kwaad van de beproevingen van de nacht en de dag en van het kwaad van elke indringer, behalve de indringer die komt met goedheid, o Meest Genadevolle)293.
Vergeving en berouw
De Boodschapper van Allah (vrede zij met hem) zei:
«وَاللَّهِ إِنِّي لأَسْتَغفِرُ اللَّهَ وَأَتُوبُ إِلَيْهِ فِي اليَوْمِ أَكْثَرَ مِنْ سَبْعِينَ مَرَّةٍ».
(Bij Allah, ik vraag Allah om vergiffenis en keer tot Hem terug op een dag meer dan zeventig keer)294.
En hij zei (vrede zij met hem):
«يَا أَيُّهَا النَّاسُ تُوبُوا إِلَى اللَّهِ فَإِنِّي أَتُوبُ فِي اليَوْمِ إِلَيْهِ مِائَةَ مَرَّةٍ».
(O mensen, bekeer u tot Allah, want ik keer mij op deze dag honderd keer tot Hem)295.
En hij (vrede zij met hem) zei:
«مَنْ قَالَ:
«Degene die zegt:
أَسْتَغْفِرُ اللَّهَ العَظيمَ الَّذِي لَا إِلَهَ إِلَّا هُوَ الحَيُّ القَيُّوُمُ وَأَتُوبُ إِلَيهِ،
Ik vraag vergiffenis aan Allah, de Almachtige, voor Wie er geen god is dan Hij, de Levende, de Onderhouder en ik keer mij tot Hem,
غَفَرَ اللَّهُ لَهُ وَإِنْ كَانَ فَرَّ مِنَ الزَّحْفِ».
Allah zal hem vergeven, zelfs als hij gevlucht is van de strijd)296.
En hij zei (vrede zij met hem):
«أَقْرَبُ مَا يَكُونُ الرَّبُّ مِنَ العَبْدِ فِي جَوْفِ اللَّيْلِ الآخِرِ فَإِنِ اسْتَطَعْتَ أَنْ تَكُونَ مِمَّنْ يَذْكُرُ اللَّهَ فِي تِلْكَ السَّاعَةِ فَكُنْ».
(De dichtst bij zijn Heer zijnde dienaar is in de laatste uren van de nacht. Als je kunt behoren tot degenen die Allah gedenken in dat uur, doe dat dan)297
En hij zei (vrede zij met hem):
«أَقْرَبُ مَا يَكُونُ العَبْدُ مِنْ رَبِّهِ وَهُوَ سَاجِدٌ فَأَكثِرُوا الدُّعَاءَ».
(De dienaar is het dichtst bij zijn Heer wanneer hij zich in soejoed bevindt, dus wees overvloedig in het doen van smeekbeden)298
En hij zei (vrede zij met hem):
«إِنَّهُ لَيُغَانُ عَلَى قَلْبِي وَإِنِّي لأَسْتَغْفِرُ اللَّهَ فِي اليَوْمِ مِائَةَ مَرَّةٍ».
(Inderdaad, er komt soms een mist over mijn hart en ik vraag Allah om vergiffenis op een dag honderd keer)299.
De verdiensten van het loven van Allah, het prijzen van Allah, het uitspreken van 'la ilaha illallah' (er is geen god dan Allah), en het zeggen van 'Allahoe Akbar'.
(Wie zegt: 'SoebhanAllah wa bihamdihie' (Prijs Allah en loof Hem) honderd keer op een dag, zullen zijn zonden worden vergeven, zelfs als ze als het schuim van de zee zijn)
«مَنْ قَالَ:
«Degene die zegt:
سُبْحَانَ اللَّهِ وَبِحَمْدِهِ
Glorie zij Allah en lof zij Hem.
فِي يَوْمٍ مِائَةَ مَرَّةٍ حُطَّتْ خَطَايَاهُ وَلَوْ كَانَتْ مِثْلَ زَبَدِ البَحْر».
honderd keer per dag zullen zijn zonden worden uitgewist, ook al zijn ze zo veel als schuim van de zee"300.
Hij (vrede zij met hem) zei:
«مَنْ قَالَ:
"Degene die zegt:"
لَا إِلَهَ إِلَّا اللَّهُ وَحْدَهُ لَا شَرِيكَ لَهُ، لَهُ المُلْكُ، وَلَهُ الحَمْدُ، وَهُوَ عَلَى كُلِّ شَيْءٍ قَدِيرٌ
Er is geen god behalve Allah, de Enige, zonder deelgenoten. Aan Hem behoort het Koninkrijk, en alle lof komt Hem toe, en Hij heeft macht over alle dingen.
عَشْرَ مِرَارٍ، كَانَ كَمَنْ أَعْتَقَ أَرْبَعَةَ أَنْفُسٍ مِنْ وَلَدِ إِسْمَاعِيلَ».
tien keer, is gelijk aan degene die vier mensen uit de kinderen van Ismaël heeft bevrijd)301.
Hij (vrede zij met hem) zei:
«كَلِمَتَانِ خَفِيفَتَانِ عَلَى اللِّسَانِ، ثَقِيلَتَانِ فِي المِيزَانِ، حَبِيبَتَانِ إِلَى الرَّحْمَنِ:
"De twee woorden die heel licht zijn op de tong, maar zwaar in de weegschaal en geliefd bij de Barmhartige:"
سُبْحَانَ اللَّهِ وَبِحَمْدِهِ، سُبْحانَ اللَّهِ العَظِيمِ».
(Soebhan Allah wa bihamdih, Soebhan Allah Al-‘Adhim)302.
En hij (vrede zij met hem) zei:
«لَأَنْ أَقُولَ:
«Dat ik zeg:
سُبْحَانَ اللَّهِ، وَالحَمْدُ لِلَّهِ، وَلَا إِلَهَ إِلَّا اللَّهُ، وَاللَّهُ أَكْبَرُ،
"Glorie zij Allah, en lof zij Allah, en er is geen god dan Allah, en Allah is de Grootste,"
أَحَبُّ إِلَيَّ مِمَّا طَلَعَتْ عَلَيْهِ الشَّمسُ».
is mij geliefder dan alles waar de zon over opkomt)303.
En hij (vrede zij met hem) zei:
«أَيَعْجِزُ أَحَدُكُم أَنْ يَكْسِبَ كُلَّ يَوْمٍ أَلْفَ حَسَنَةٍ»
(Kan een van jullie niet elke dag duizend goede daden verkrijgen?) Een van zijn metgezellen vroeg: "Hoe kan een van ons duizend goede daden verkrijgen?" Hij zei: (Door honderd keer te zeggen: Soebhan Allah, wordt voor hem duizend goede daden geschreven of worden duizend fouten van hem verwijderd.) Een van zijn metgezellen vroeg: "Hoe kan een van ons duizend goede daden verkrijgen?" Hij zei:
«يُسَبِّحُ مِائَةَ تَسْبِيحَةٍ، فَيُكتَبُ لَهُ أَلْفُ حَسَنَةٍ أَوْ يُحَطُّ عَنْهُ أَلْفُ خَطِيئَةٍ».
"Door honderd keer te zeggen: Soebhan Allah, wordt voor hem duizend goede daden geschreven of worden duizend fouten van hem verwijderd"304.
«مَنْ قَالَ:
«Degene die zegt:
سُبْحَانَ اللَّهِ العَظِيمِ وَبِحَمْدِهِ
Allah zij Geprezen, de Meest Grandioze en lof zij Hem.
غُرِسَتْ لَهُ نَخْلَةٌ فِي الجَنَّةِ».
Voor hem wordt een palmboom geplant in het Paradijs)305.
En hij (vrede zij met hem) zei:
«يَا عَبْدَ اللَّهِ بْنَ قَيْسٍ أَلَا أَدُلُّكَ عَلَى كَنْزٍ مِنْ كُنُوزِ الجَنَّةِ؟»
(O Abdellah ibn Qays, wil ik je niet wijzen op een schat uit de schatten van het Paradijs?) Ik zei: Ja, o boodschapper van Allah. Hij zei: (Zeg: "Er is geen macht en geen kracht behalve door Allah."). Dus antwoordde ik: "Jazeker, o Boodschapper van Allah.'' Hij zei:
«قُلْ:
«Zeg:
لَا حَوْلَ وَلَا قُوَّةَ إِلَّا بِاللَّهِ».
Er is geen macht noch kracht (mogelijk) behalve door Allah306.
En hij (vrede zij met hem) zei:
«أَحَبُّ الكَلَامِ إِلَى اللَّهِ أَرْبَعٌ:
«De meest geliefde woorden bij Allah zijn vier:
سُبْحَانَ اللَّهِ، وَالحَمْدُ لِلَّهِ، وَلَا إِلَهَ إِلَّا اللَّهُ، وَاللَّهُ أَكْبَرُ،
Glorie zij Allah, en lof zij Allah, en er is geen god dan Allah, en Allah is de Grootste,
لَا يَضُرُّكَ بِأَيِّهِنَّ بَدَأتَ».
Het maakt niet uit met welke je begint)307.
Een bedoeïen kwam naar de boodschapper van Allah (vrede zij met hem) en zei: "Leer mij woorden die ik kan zeggen." Hij zei: (Zeg: Er is geen god dan Allah, de Enige, zonder deelgenoot, Allah is de Grootste, in grote mate en lof zij Allah, de Heer der werelden, er is geen macht en kracht dan bij Allah, de Almachtige, de Wijze) Hij zei: "Dit is voor mijn Heer, maar wat is er voor mij?" Hij zei: (Zeg: Zeg: O Allah, vergeef mij, heb genade met mij, leid mij, en geef mij voorziening)
«قُلْ:
«Zeg:
لَا إِلَهَ إِلَّا اللَّهُ وَحْدَهُ لَا شَرِيكَ لَهُ، اللَّهُ أَكْبَرُ كَبِيرًا، وَالحَمْدُ لِلَّهِ كَثِيرًا، سُبْحَانَ اللَّهِ رَبِّ العَالَمِينَ، لَا حَوْلَ وَلَا قُوَّةَ إِلَّا بِاللَّهِ العَزِيزِ الحَكِيمِ»
Er is geen god dan Allah, Hij is de Enige, zonder deelgenoten. Allah is de Allergrootste, en alle lof zij Allah in overvloed. Glorie zij Allah, de Heer der Werelden. Er is geen macht of kracht behalve bij Allah, de Almachtige, de Alwijze."
Hij zei: "Deze zijn voor mijn Heer, maar wat is voor mij?" Hij zei:
«قُلْ:
«Zeg:
اللَّهُمَّ اغْفِرْ لِي، وَارْحَمْنِي، وَاهْدِنِي، وَارْزُقْنِي».
"O Allah, vergeef mij, heb genade met mij, leid mij, en voorzie mij"308.
Wanneer een man zich bekeerde, leerde de Profeet (vrede zij met hem) hem het gebed en beval hem vervolgens om deze woorden te zeggen:
«اللَّهُمَّ اغْفِرِ لِي، وَارْحَمْنِي، وَاهْدِنِي، وَعَافِنِي وَارْزُقْنِي».
(O Allah, vergeef mij, heb genade met mij, leid mij, geef mij gezondheid en geef mij voorziening)309.
«إِنَّ أَفْضَلَ الدُّعَاءِ
"Waarlijk, de beste smeekbede
الحَمْدُ لِلَّهِ،
Alle lof is voor Allah,
وَأَفْضَلَ الذِّكْرِ
En het allerbeste Dhikr
لَا إِلَهَ إِلَّا اللَّهُ».
(Er is geen god behalve Allah)310.
«البَاقِيَاتُ الصَّالِحَاتُ:
"(De blijvende goede daden:
سُبْحَانَ اللَّهِ، وَالحَمْدُ لِلَّهِ، وَلَا إِلَهَ إِلَّا اللَّهُ، وَاللَّهُ أَكْبَرُ، وَلَا حَوْلَ وَلَا قُوَّةَ إِلَّا بِاللَّه».
(Glorie zij Allah, Lof zij Allah, Er is geen god behalve Allah, Allah is de Grootste, Er is geen kracht en geen macht behalve met Allah)311.
Hoe reciteerde de Profeet (vrede zij met hem) de lofprijzingen?
Van Abdellah ibn Amr (vrede zij met hem) wordt overgeleverd dat hij zei:
«رَأَيْتُ النَّبيَّ ﷺ يَعْقِدُ التَّسْبِيحَ» وفي زيادةٍ: «بِيَمِينِهِ».
(Ik zag de Profeet (vrede zij met hem) de lofprijzingen tellen) En in een toevoeging: (Met zijn rechterhand)312.
Van de soorten goede daden en de alomvattende zeden.
De profeet (vrede zij met hem) zei:
«إِذَا كَانَ جُنْحُ اللَّيْلِ – أَوْ أَمْسَيْتُم – فَكُفُّوا صِبْيَانَـكُم، فَإِنَّ الشَّيَاطِينَ تَنْتَشِرُ حِينَئِذٍ، فَإِذَا ذَهَبَ سَاعَةٌ مِنَ اللَّيلِ فَخَلُّوهُمْ، وَأَغْلِقُوا الأَبْوَابَ وَاذْكُرُوا اسْمَ اللَّهِ؛ فَإِنَّ الشَّيطَانَ لَا يَفْتَحُ بَابًا مُغلَقًا، وَأَوْكُوا قِرَبَكُمْ، وَاذْكُرُوا اسْمَ اللَّهِ، وَخَمِّرُوا آنِيَتَكُم، وَاذْكُرُوا اسْمَ اللَّهِ، وَلَوْ أَنْ تَعْرُضُوا عَلَيْهَا شَيْئًا، وَأَطْفِئُوا مَصَابِيحَكُمْ».
(Wanneer de nacht valt – of wanneer jullie de avond ingaan – houdt dan je kinderen binnen, want de duivels verspreiden zich op dat moment. Wanneer een uur van de nacht is verstreken, laat ze dan buiten. Sluit de deuren en herinner je de naam van Allah, want de duivel opent geen gesloten deur. Bind je waterzakken dicht, herinner je de naam van Allah, bedek je vazen, herinner je de naam van Allah, zelfs als je er iets op legt, en doof je lampen)313.
Moge Allah zegenen, vrede en zegeningen schenken aan onze profeet Mohammed, zijn familie en zijn metgezellen allen.
***
Inhoudstafel
Inleiding 2
De verdienste van de dhikr (het gedenken van Allah) 4
De smeekbeden bij het ontwaken uit de slaap 10
Het smeekgebed bij het aantrekken van kleding. 14
Het smeekgebed bij het aantrekken van nieuwe kleding. 14
De smeekbede voor degene die een nieuw kledingstuk heeft aangetrokken. 15
Wat hij zegt wanneer hij zijn kleding aflegt. 15
Smeekbede bij het betreden van het toilet 15
Smeekbede bij het verlaten van het toilet 16
Ad-Dhikr vóór de wassing 16
Ad-Dhikr na de wassing 16
Ad-Dhikr bij het verlaten van het huis 17
Ad-Dhikr bij het binnenkomen van het huis 18
Doe'a bij het gaan naar de moskee 18
Doe'a bij het betreden van de moskee 19
Doe'a bij het verlaten van de moskee 21
Ad-Dhikr bij de oproep tot het gebed 21
Doe'a van de opening 23
Doe'a tijdens de buiging (roekoe') 28
Doe'a bij het oprichten uit de buiging (roekoe') 29
Doe'a tijdens de neerknieling (soejoed) 30
Doe'a tijdens de zittende positie tussen de twee soejoed. 32
Doe'a van de neerknieling van de recitatie (soejoed At-Tilawa) 32
At-Tashahoed (De getuigenis) 33
De gebeden voor de Profeet (vrede zij met hem) na de getuigenis: 34
De gebeden voor de Profeet (vrede zij met hem) na de laatste Atta-Shahoed en voor de salaam: 35
Doe'a na het gebed 39
Doe'a Al-Istikhara 44
Ad-Dhkaar van de ochtend en de avond 46
Ad-Dkaar bij het slapen: 60
Doe'a wanneer het zich 's nachts wendt. 68
Doe'a bij angst tijdens de slaap en voor wie geplaagd wordt door een gevoel van eenzaamheid. 69
Wat te doen wanneer men een droom of een visioen ziet. 69
Doe'a voor de Qoenoot in de Witr-gebed 70
Ad-Dhikr na de salaam van de witr. 72
Doe'a tegen bezorgdheid en verdriet. 72
Doe'a tegen moeilijkheden 73
Doe'a voor het ontmoeten van de vijand en degene met gezag. 74
Doe'a voor degene die vreest voor het onrecht van de heerser 75
Doe'a tegen de vijand. 76
Wat zegt degene die bang is voor een volk. 77
Doe'a van degene die door twijfels in het geloof wordt getroffen: 77
Doe'a om de afbetaling van de schuld. 78
Dee'a tegen de insinuaties van de duivel in het gebed en de recitatie. 78
Doe'a voor degene voor wie een zaak moeilijk is geworden. 79
Wat zegt en doet degene die een zonde heeft begaan. 79
Doe'a tegen de duivel en om zijn fluisteringen te verjagen. 80
Doe'a wanneer er iets gebeurt dat hij niet wenst of wanneer hij overweldigd wordt door zijn zaak. 81
De felicitaties voor de pasgeborene en zijn antwoord. 81
Wat gebruikt wordt voor de bescherming van kinderen. 82
Doe'a voor de zieke bij bezoek. 83
De verdienste van het bezoeken van de zieke 83
Doe'a voor de zieke die de hoop op zijn leven heeft opgegeven. 84
Het voorlezen voor de stervende 85
Doe'a voor degene die getroffen is door een tegenslag 85
Doe'a bij het sluiten van de ogen van de overledene. 86
Doe'a voor de overledene in het gebed voor hem. 86
Doe'a voor de overledene tijdens het gebed voor hem. 88
Doe'a voor het bieden van condoleances. 89
Doe'a bij het inbrengen van de overledene in het graf. 90
Doe'a na het begraven van de overledene. 90
Doe'a bij het bezoeken van de graven. 91
Doe'a voor de wind 91
Doe'a bij de donder. 92
Doe'a bij het vragen regen. 92
Doe'a als de regen ziet. 93
Ad-Dikr na het neerkomen van de regen. 93
Doe'a voor het vragen naar gezondheid. 93
Doe'a bij het zien van de maansikkel. 94
Doe'a bij het verbreken van de vasten. 94
Doe'a voor het eten. 95
Doe'a na het eindigen van het eten. 96
Doe'a van de gast voor de gastheer van het eten 96
Het indirect vragen om voedsel of drank door middel van een Doe'a. 97
Doe'a wanneer men het vasten verbreekt bij het huis van iemand. 97
Doe'a van de vastende wanneer het voedsel aanwezig is maar hij niet heeft gegeten. 97
Wat de vastende zegt wanneer iemand hem beledigt 98
Doe'a bij het zien van de eerste vruchten. 98
Doe'a bij het niezen. 98
Wat er tegen de ongelovige wordt gezegd wanneer hij niest en Allah lof toezegt. 99
Doe'a voor de getrouwde. 100
Doe'a van de gehuwde en het kopen van een rijdier. 100
Doe'a vóór het naderen van de vrouw. 101
Doe'a bij woede. 101
Doe'a van degene die iemand met beproeving ziet. 101
Wat er in een gezelschap gezegd wordt. 102
De vergiffenis voor een bijeenkomst. 102
Doe'a voor degene die zegt: "Moge Allah jou vergeven." 103
87. Doe'a voor degene die jou een gunst heeft bewezen. 103
Wat tegen tegen de Dajjaal wordt beschermt door Allah. 103
Doe'a voor degene die zegt: "Ik hou van jou omwille van Allah". 104
Doe'a voor degene die zijn bezit aan jou aanbiedt 104
Doe'a voor degene die lening verstrekte bij de uitvoering van de uitspraak. 104
Doe'a tegen de vrees voor polytheïsme 104
Doe'a voor degene die zegt: Moge Allah jou zegenen 105
Doe'a voor de afkeer van bijgeloof 105
Doe'a bij het rijden 105
Doe'a voor een reis 106
Doe'a bij het betreden van een dorp of stad 108
Doe'a bij het betreden van de markt 108
Doe'a wanneer het vervoermiddel in moeilijkheden komt 109
100. Doe'a van de reiziger voor de inwoner van de stad 109
Doe'a van de inwoner voor de reiziger 109
De takbeer (Allah is de Grootste) en tasbieh (Glorie zij Allah) tijdens de reis 110
Doe'a van de reiziger wanneer het vroeg in de ochtend is 110
Doe'a wanneer men op een plaats aankomt tijdens een reis of anders 111
Doe'a bij de terugkeer van de reis 111
Wat degene zegt aan wie een zaak komt die hem verheugt of die hij niet goedkeurt 112
De waarde van het gebed voor de Profeet (vrede zij met hem) 112
Het verspreiden van de vrede. 114
Hoe beantwoordt men de groet van een ongelovige wanneer hij groet? 115
Doe'a bij het horen van het kraaien van de haan en het balken van de ezel. 115
Doe'a bij het horen van het geblaf van honden 's nachts. 116
Doe'a voor degene die ik beledigd heb 117
Wat zegt een moeslim wanneer hij een andere moslim prijst? 117
Wat zegt een moeslim wanneer hij geprezen wordt? 117
Hoe de pelgrim in de staat van Ihram tijdens de hadj of oemra de lofdicht zegt 118
De takbeer (grootse lof) wanneer men bij de Zwarte Steen komt 118
Doe'a tussen de Zuidhoek en de Zwarte Steen (van de Ka'ba) 119
Doe'a bij het staan op de Safa en Marwa 119
Doe'a op de dag van 'Arafa 120
Ad-Dhikr bij de heilige plaats van Mash'ar al-Haram 121
At-Takbier bij het werpen van de stenen bij de drie zuilen 121
Doe'a van verbazing en een goede zaak 121
Wat te doen wanneer men iets aangenaams overkomt 122
Wat te doen en te zeggen wanneer men pijn in zijn lichaam voelt 122
Doe'a voor degene die vreest dat iets zijn ogen zal treffen 123
Wat gezegd wordt bij angst 123
Wat gezegd wordt bij het slachten of offeren 124
Wat gezegd wordt om de boosaardige streken van de duivels af te weren 124
Vergeving en berouw 125
De verdiensten van het loven van Allah, het prijzen van Allah, het uitspreken van 'la ilaha illallah' (er is geen god dan Allah), en het zeggen van 'Allahoe Akbar'. 127
Hoe reciteerde de Profeet (vrede zij met hem) de lofprijzingen? 134
Van de soorten goede daden en de alomvattende zeden. 134
***
nl24v5.0 - 08/09/2026
Soera Al-Baqarah, vers 152.
Soera Al-Ahzaab vers:41.
Soerat Al-Ahzaab vers:35.
Soera Al-Araaf vers:205.
[Al-Boekhari met Al-Fath, 11/208, nummer 6407 en Moeslim, 1/539, nummer 779, met de woorden:((Het voorbeeld van het huis waarin Allah wordt herdacht en het huis waarin Allah niet wordt herdacht, is als het voorbeeld van de levende en de dode)), 1/539.
Overgeleverd door At-Tirmidhi, 5/459, hadith nr. 3377, en Ibn Majah, 2/124, hadith nr. 3790. Zie ook: Sahih Ibn Majah, 2/316, en Sahih At-Tirmidhi, 3/139.
Overgeleverd door Al-Boekhari, 8/171, hadith nr. 7405, en Moeslim, 4/2061, hadith nr. 2675. De woorden zijn Al-Boekhari.
Overgeleverd door At-Tirmidhi, 5/458, hadith nr. 3375, en Ibn Majah, 2/1246, 3793. Authentiek verklaard door Al-Albani in Sahih At-Tirmidhi, 3/139, en Sahih Ibn Majah, 2/317.
Overgeleverd door At-Tirmidhi, 5/175, hadith nr. 2910. Authentiek verklaard door Al-Albani in Sahih At-Tirmidhi, 3/9, en Sahih Al-Jami' As-Saghir, 5/340.
Overgeleverd door Moeslim, 1/553, hadith nr. 803.
Overgeleverd door Aboe Daawoed, 4/264, hadith nr. 4856, en anderen. Zie ook: Sahih Al-Jami', 5/342.
Overgeleverd door At-Tirmidhi, 5/461, hadith nr. 3380. Zie ook: Sahih At-Tirmidhi, 3/140.
Overgeleverd door Aboe Dawoed, 4/264, hadith nr. 4855; Ahmed, 2/389, hadith nr. 10680. Zie ook: Sahih Al-Jami', 5/176
Al-Boekhari met Al-Fath, 11/113, onder nummer 6314 en Moeslim, 4/2083, onder nummer 2711.
Wie dit zegt, worden zijn zonden vergeven. Indien hij daarna smeekt, wordt zijn smeekbede verhoord. En als hij vervolgens opstaat, de wassing verricht en bidt, wordt zijn gebed geaccepteerd. Overgeleverd door Al-Boekhari met Al-Fath, 3/39, onder nummer 1154 en andere overleveraars. De woorden zoals vermeld bij Ibn Maja. Zie: Sahieh Ibn Maja, 2/335.
At-Tirmidhi, 5/473, onder nummer 3401. Zie ook: Sahieh At-Tirmidhi, 3/144.
De verzen uit Soera Al ‘Imraan, 190-200, Al-Boekhari met Al-Fath, 8/337, onder nummer 4569, en Moeslim, 1/530, onder nummer 256.
Overgeleverd door de auteurs van de Soenan, met uitzondering van An-Nasa-i: Aboe Dawoed, onder nummer 4023; At-Tirmidhi, onder nummer 3458; en Ibn Majah, onder nummer 3285. Al-Albani heeft het geclassificeerd als goed in: Irwaa Al-Ghaliel, 7/47.
Aboe Dawoed, nummer 4020 en At-Tirmidhi, nummer 1767, en Al-Baghawi, 12/40. Zie ook: Moekhtasar Shama’il At-Tirmidhi van al-Albani, p. 47.
Overgeleverd door Aboe Dawoed, 4/41, onder nummer 4020. Zie ook: Sahieh Aboe Dawoed, 2/760.
Ibn Majah, 2/1178, onder nummer 3558; Al-Baghawi, 12/41. Zie ook: Sahieh Ibn Majah, 2/275.
At-Tirmidhi, 2/505, onder nummer 606, en anderen. Zie ook: Irwaa Al-Ghaliel, nummer 50, en Sahieh al-Jaami', 3/203.
Overgeleverd door Al-Boekhari, 1/45, onder nummer 142, en door Moeslim, 1/283, onder nummer 375. De toevoeging van "In de naam van Allah" aan het begin is overgeleverd door Sa‘ied ibn Mansoer. Zie Fath al-Bari, 1/244.
Overgeleverd door de verzamelaars van de Soenna, behalve An-Nasa'ie, die het in "De handelingen van de dag en de nacht" heeft overgeleverd, onder nummer 79. Ook door Aboe Dawoed, onder nummer 30 en door At-Tirmidhi, onder nummer 7 en Ibn Majah, onder nummer 300. Geauthenticeerd door Al-Albani in "Sahih Soenan Abi Dawoed", 1/19.
Overgeleverd door Aboe Dawoed, onder nummer 101, door Ibn Majah, onder nummer 397 en door Ahmed, onder nummer 9418. Zie ook "Irwaa Al-Ghaliel", 1/122.
Moeslim, 1/209, onder nummer 234.
At-Tirmidhi, 1/78, onder nummer 55. Zie: Sahih At-Tirmidhi, 1/18.
An-Nasa'i in 'Amal Al-Yawm Wa Al-Layla, p.173. Zie: Irwaa Al-Ghaliel 1/135, 3/94.
Aboe Dawoed, 4/325, onder nummer 5095, en At-Tirmidhi, 5/490, onder nummer 3426. Zie: Sahih At-Tirmidhi 3/151.
De mensen van de Soennan: Aboe Dawoed, onder nummer 5094, At-Tirmidhi, onder nummer 3427, An-Nasa’i, onder nummer 5501, en Ibn Majah, onder nummer 3884. Zie: Sahih At-Tirmidhi, 3/152, en Sahih Ibn Majah, 2/336.
Overgeleverd door Aboe Dawoed, 4/325, onder nummer 5096, en zijn keten werd geverifieerd door de geleerde Ibn Baz in "Toehfat al-Akhyaar", p.28. En in de authentieke versie: ((Wanneer een man zijn huis binnenkomt en Allah noemt bij het binnenkomen en bij het eten, zegt de satan: er is geen overnachting voor jullie en geen avondmaaltijd)), Moeslim, onder nummer 2018.
Zie al deze woorden in Al-Boekhari, 11/116, nummer 6316, en in Moeslim, 1/526, 529, 530, nummer 763.
At-Tirmidhi, 5/483, nummer 3419.
Overgeleverd door Al-Boekhari in al-Adab al-Moefrad, nummer 695, pagina 258, en zijn keten werd door Al-Albani geverifieerd in de authentieke versie van Al-Adab Al-Moefrad, nummer 536.
Vermeld door Ibn Hajar in Fath Al-Bari, toegewezen aan Ibn Abi 'Asim in het boek van gebeden, zie Fath 11/118, en hij zei: Er zijn vijfentwintig kenmerken verzameld uit de verschillende overleveringen.
Volgens de uitspraak van Anas bin Malik (moge Allah tevreden met hem zijn): "Het is de Soenna om, wanneer men de moskee betreedt, te beginnen met de rechtervoet en wanneer men de moskee verlaat, te beginnen met de linkervoet." Dit werd overgeleverd door Al-Hakim, 1/218, die het als authentiek verklaarde volgens de voorwaarden van Moeslim en het werd bevestigd door Ad-Dahabi. Het werd ook overgeleverd door al-Bayhaqi, 2/442, en door Al-Albani als authentiek geclassificeerd in "Silsilat Al-Ahadith As-Sahihah", 5/624, nr. 2478.
Aboe Dawoed, nr. 466, zie ook "Sahih al-Jami", nr. 4591.
Overgeleverd door Ibn As-Soenni, nr. 88, en als authentiek gekarakteriseerd door al-Albani in "Thamar al-Moestatab", p. 607.
Aboe Dawoed, 1/126, nr. 465, zie ook "Sahih al-Jami", 1/528.
Moeslim, 1/494, nr. 713, en in de Soenan van Ibn Majah overgeleverd via Fatima (moge Allah tevreden met haar zijn): "O Allah, vergeef mijn zonden en open voor mij de poorten van Uw genade." Dit werd door Al-Albani als authentiek verklaard op basis van de ondersteunende overleveringen. Zie: "Sahih Ibn Majah", 1/128-129.
Overgeleverd door Al-Hakim, 1/218, en Al-Bayhaqi, 2/442, en als authentiek geclassificeerd door Al-Albani in "Silsilat Al-Ahadith As-Sahihah", 5/624, nr. 2478. Zie eerder de overlevering.
Zie de overleveringen van het vorige gebed bij het betreden van de moskee, nr. (20), en de toevoeging: ((O Allah, bescherm mij tegen de vervloekte Satan)) volgens Ibn Majah. Zie: "Sahih Ibn Majah", 1/129.
Overgeleverd door Al-Boekhari, 1/152, nr. 611 en nr. 613, en Moeslim, 1/288, nr. 383.
Moeslim, 1/290, nr. 386.
Ibn Khoezayma, 1/220.
Moeslim, 1/288, nr. 384.
Al-Boekhari, 1/152, nr. 614, en wat tussen de haakjes staat, is van Al-Bayhaqi, 1/410, en de keten werd verbeterd door de geleerde Abdoelaziz ibn Baz (moge Allah hem genadig zijn) in Toehfat Al-Akhiyar, p. 38.
At-Tirmidhi, nr. 3594 en nr. 3595, Aboe Dawoed, nr. 525, Ahmed, nr. 12200, en zie Irwaa Al-Ghaliel, 1/262.
Al-Boekhari, 1/181, nummer 744, en Moeslim, 1/419, nummer 598.
Moeslim, nummer 399 en de vier boeken van de Soenna: Aboe Dawoed, nummer 775 en At-Tirmidhi, nummer 243 en Ibn Majah, nummer 806, en An-Nasa'i, nummer 899 en zie: Sahih At-Tirmidhi, 1/77 en Sahih Ibn Majah, 1/135.
Overgeleverd door Moeslim, 1/534, nummer 771.
Overgeleverd door Moeslim, 1/534, nummer 770.
Overgeleverd door Aboe Dawoed, 1/203, nummer 764, en Ibn Majah, 1/265, nummer 807, en Ahmed, 4/85, nummer 16739, en Shoe'aib Al-Arna’oet zei in zijn verificatie van Al-Moesnad: 'Hasan li ghayrih' (goed voor anderen). Abdoel Qadir Al-Arna’oet zei in zijn overleveringen van 'al-Kalim al-Tayyib van Ibn Taymiyyah, nummer 78: 'Het is een authentieke hadith met getuigen.' Al-Albani noemde het in 'Sahih al-Kalim al-Tayyib', nummer 62. Ook overgeleverd door Moeslim van Ibn Omar (moge Allah tevreden met hem zijn) op een vergelijkbare manier, en het bevat een verhaal, 1/420, nummer 601.
De Profeet (vrede zij met hem) zei dit wanneer hij opstond in de nacht om vrijwillig te bidden.
Overgeleverd door Al-Boekhari met al-Fath, 3/3, 11/116, 13/371, 423, 465, onder nummer 1120, 6317, 7385, 7442, 7499, en door Moeslim, verkort en met een soortgelijke formulering, 1/532, nummer 769.
Overgeleverd door de auteurs van de Soenan en Ahmed: Aboe Dawoed, nummer 870; At-Tirmidhi, nummer 262; An-Nasa’i, nummer 1007; Ibn Majah, nummer 897; en Ahmed, nummer 3514. Zie: Sahih At-Tirmidhi, 1/83.
Overgeleverd door Al-Boekhari, 1/99, nummer 794; en Moeslim, 1/350, nummer 484.
Overgeleverd door Moeslim, 1/353, nummer 487, en door Aboe Dawoed, 1/230, nummer 872.
Overgeleverd door Moeslim, 1/534, nummer 771; en de vier behalve Ibn Majah: Aboe Dawoed, nummers 760 en 761; At-Tirmidhi, nummer 3421; en An-Nasa'i, nummer 1049. De woorden tussen de haken zijn overgeleverd door Ibn Khoezaymah, nummer 607, en Ibn Hibban, nummer 1901.
Overgeleverd door Aboe Dawoed, 1/230, nummer 873; An-Nasa'i, nummer 1131; en Ahmed, nummer 23980. De overleveringsketen is goed.
Overgeleverd door Al-Boekhari met Al-Fath, 2/282, nr. 796.
Overgeleverd door Al-Boekhari met Al-Fath, 2/284, nr. 796.
Overgeleverd door Moeslim, 1/346, nr. 477.
Overgeleverd door de schrijvers van de Soenan en Ahmed: Aboe Daawoed, nr. 870; At-Tirmidhi, nr. 262; An-Nasaa’i, nr. 1007; Ibn Madjah, nr. 897; en Ahmed, nr. 3514. Zie ook: Sahieh At-Tirmidhi, 1/83.
Overgeleverd door Al-Boekhari, nr. 794; Moeslim, nr. 484; en eerder vermeld onder nr. 34.
Overgeleverd door Moeslim, 1/533, nr. 487; Aboe Dawoed, nr. 872; en eerder vermeld onder nr. 35.
Overgeleverd door Moeslim, 1/534, nr. 771, en anderen.
Overgeleverd door Aboe Dawoed, 1/230, nr. 873; An-Nasa’i, nr. 1131; Ahmed, nr. 23980; en authentiek verklaard door Al-Albani in Sahieh Aboe Dawoed, 1/166. Reeds eerder vermeld onder nr. 37.
Overgeleverd door Moeslim, 1/230, nr. 483.
Overgeleverd door Moeslim, 1/352, nr. 486.
Overgeleverd door Aboe Dawoed, 1/231, nr. 874, en Ibn Majah, nr. 897. Zie ook: Sahieh Ibn Majah, 1/148.
Overgeleverd door de bezitters van de boeken van de Soenna, behalve An-Nasa'i: Aboe Dawoed, 1/231, nr. 850, At-Tirmidhi, nr. 284, 285, en Ibn Majah, nr. 898. Zie ook: Sahieh At-Tirmidhi, 1/90, en Sahieh Ibn Majah, 1/148.
At-Tirmidhi, 2/474, nummer 3425, en Ahmed, 6/30, nummer 24022, en Al-Hakim, geauthenticeerd en goedgekeurd door Ad-Dahabi, 1/220, met een toevoeging van hem en de vers 14 van Soera al-Moeminoen.
At-Tirmidhi, 2/473, nummer 579, en Al-Hakim, geauthenticeerd en goedgekeurd door Ad-Dahabi, 1/219.
Al-Boekhari met al-Fath, 2/311, nr. 831, en Moeslim, 1/301, nr. 402.
Al-Boekhari met al-Fath, 6/408, nr. 3370, en Moeslim, nr. 406.
Al-Boekhari met al-Fath, 6/407, nr. 3369, en Moeslim, 1/306, nr. 407, met de nadruk op zijn uitspraak.
Al-Boekhari, 2/102, nr. 1377, en Moeslim, 1/412, nr. 588, met de nadruk op de uitspraak van Moeslim.
Al-Boekhari, 1/202, nr. 832, en Moeslim, 1/412, nr. 587.
Al-Boekhari, 8/168, nr. 834, en Moeslim, 4/2078, nr. 2705.
Moeslim, 1/534, nr. 771.
Aboe Dawoed, 2/86, nr. 1522, en An-Nasa'i, 3/53, nr. 2302, en geverifieerd door Al-Albani in Sahih Aboe Dawoed, 1/284.
Al-Boekhari met Al-Fath, 6/35, nr. 2822, en nr. 6390.
Aboe Dawoed, nr. 792, en Ibn Majah, nr. 910, en zie: Sahih Ibn Majah, 2/328.
An-Nasa'i, 3/54-55, nr. 1304, en Ahmed, 4/364, nr. 21666 en geverifieerd door Al-Albani in Sahih An-Nasa'i, 1/281.
Overgeleverd door An-Nasa'ie, 3/ 52, nummer 1300 met zijn woorden, en Ahmed, 4/ 338, nummer 18974, en geverifieerd door Al-Albani in Sahih an-Nasa'i, 1/280.
Overgeleverd door de mensen van de Soenna: Aboe Dawoed, nummer 1495, At-Tirmidhi, nummer 3544, Ibn Majah, nummer 3858, en An-Nasa’i, nummer 1299, en zie: Sahih Ibn Majah, 2/329.
Aboe Dawoed, 2/62, nummer 1493, At-Tirmidhi, 5/515, nummer 3475, Ibn Majah, 2/1267, nummer 3857, An-Nasa’i, nummer 1300 met zijn tekst, Ahmed, nummer 18974, en geverifieerd door Al-Albani in Sahih An-Nasa’i, 1/280, en zie: Sahih Ibn Majah, 2/329, en Sahih At-Tirmidhi, 3/163.
Moeslim, 1/414, nummer 591.
Al-Boekhari, 1/255, nummer 844 en Moeslim, 1/414, nummer 593 en wat tussen de haakjes staat is een toevoeging van Al-Boekhari, nummer 6473.
Moeslim, 1/415, nummer 594.
Moeslim, 1/418, nummer 597 en daarin staat: ((Degene die dit zegt na elk gebed, zijn zonden worden vergeven, zelfs als ze zoveel zijn als het schuim op de zee))
Aboe Dawoed, 2/86, nr. 1523, At-Tirmidhi, nr. 2903, An-Nasa’i, 3/68, nr. 1335, en zie: Sahieh At-Tirmidhi, 2/8. De drie soera's worden 'de Moe'awwidhat' genoemd. Zie: Fath al-Bari, 9/62."
Wie dit na elke gebed reciteert, zal niet verhinderd worden het paradijs binnen te gaan, behalve door de dood.An-Nasa’i in 'Amal Al-Yawm Wa Al-Layla, nummer 100, en Ibn al-Soenni, nummer 121, authentiek verklaard door Al-Albani in Sahih al-Jami’, 5/339, en Silsilat al-Ahadith As-Sahihah, 2/697, nummer 972 en het vers nummer 255 van Soera Al-Baqarah.
Overgeleverd door At-Tirmidhi, 5/515, nummer 3474 en Ahmed, 4/227, nummer 17990, zie de verklaring in: Zad Al-Ma'ad 1/300.
Overgeleverd door Ibn Majah, nummer 925 en An-Nasa'i in 'Amal Al-Yawm Wa Al-Layla, nummer 102, zie: Sahih Ibn Majah, 1/152, en Majma' Az-Zawa'id, 10/111 en het zal later komen bij nummer 95.
Al-Boekhari, 7/162, nummer 1162.
Soera Al Imran, vers 159.
Anas rapporteert: "Het is voor mij liever om te zitten met een groep die Allah, de Verhevene, gedenkt van het ochtendgebed totdat de zon opkomt, dan om vier van de kinderen van Ismaël te bevrijden. En het is voor mij liever om te zitten met een groep die Allah herinnert van de middaggebed totdat de zon ondergaat, dan om vier te bevrijden." Aboe Dawoed, nummer 3667, en geauthentiseerd door Al-Albani in Sahih Aboe Dawoed, 2/698.
Soera Al-Baqarah vers 255. Wie dit zegt bij het ochtendgloren, wordt beschermd tegen de djinn totdat de avond valt en wie het zegt bij de avond, wordt beschermd tegen hen totdat de ochtend aanbreekt. Dit werd overgeleverd door Al-Hakim, 1/562, en geauthenticeerd door Al-Albani in Sahih al-Targhib wa At-Tarhib, 1/273, en wordt toegeschreven aan An-Nasa’i en At-Tabarani, die zei: ((De keten van overleveraars van At-Tabarani is goed)).
Wie het drie keer zegt bij het ochtendgloren en bij de avond, wordt van alles beschermd. Overgeleverd door Aboe Dawoed, 4/322, nummer 5082 en At-Tirmidhi, 5/567, nummer 3575, zie ook: Sahih At-Tirmidhi, 3/182.
Moslim, 4/2088, nummer 2723.
De eerdere referentie.
At-Tirmidhi, 5/466, nummer 3391, en zie: Sahih At-Tirmidhi 3/142.
De vorige bron.
Lees en Erken.
Wie dit met overtuiging zegt wanneer hij de avond ingaat en diezelfde nacht sterft, zal het paradijs binnengaan. Hetzelfde geldt wanneer hij de ochtend ingaat." (Overgeleverd door Al-Boekhari, 7/150, nr. 6306).
Wie het zegt wanneer hij de ochtend of de avond vier keer zegt, bevrijdt Allah hem van het vuur. Overgeleverd door Aboe Dawoed, 4/317, nummer 5071, en door Al-Boekhari in Al-Adab Al-Moefrad, nummer 1201, en door An-Nasa'i in 'Amal Al-Yawm Wa Al-Layla, nummer 9 en door Ibn As-Soenni, nummer 70. Het is door Zijne Eminentie Sheikh Ibn Baz (moge Allah zijn ziel genadig zijn) als authentiek beoordeeld in de overlevering van An-Nasa'i en Aboe Dawoed, in 'Toehfat al-Akhyaar', bladzijde 23."
Vorige referentie.
Wie dit zegt wanneer hij de ochtend ingaat, heeft de dankbaarheid voor zijn dag vervuld en wie dit zegt wanneer hij de avond ingaat, heeft de dankbaarheid voor zijn nacht vervuld. Overgeleverd door Aboe Dawoed, 4/318, nummer 5075 en door An-Nasa'i in de werken van de dag en de nacht, nummer 7 en door Ibn As-Soenni, nummer 41, en door Ibn Hibban, 'Al-Mawared', nummer 2361. Het werd door Ibn Baz (moge Allah zijn ziel genadig zijn) als authentiek beoordeeld in 'Toehfat al-Akhyaar', bladzijde 24.
De eerdere bron.
Aboe Dawoed, 4/324, nummer 5092, en Ahmed, 5/42, nummer 20430, en An-Nasa'i in 'Amal Al-Yawm Wa Al-Layla, nummer 22, en Ibn As-Soenni, nummer 69, en Al-Boekhari in Al-Adab al-Moefrad, nummer 701. Het werd door de geleerde Ibn Baz (moge Allah zijn ziel genadig zijn) als authentiek beoordeeld in 'Toehfat al-Akhyaar', bladzijde 26.
Wie dit zegt wanneer hij de ochtend of de avond ingaat, zeven keer, Allah zal hem voldoende zijn in wat hem zorgen baart betreffende zaken van deze wereld en het Hiernamaals. Overgeleverd door Ibn As-Soenni, nummer 71 (marfoe’) en door Aboe Dawoed (Maukoef), 4/321, nummer 5081. De keten van overleveraars is als authentiek beoordeeld door Shoe'aib en Abdelqader Al-Arna’oet. Zie: Zad al-Ma’ad 2/376.
Overgeleverd door Aboe Dawoed, nummer 5074, en Ibn Majah, nummer 3871. Zie: Sahih Ibn Majah, 2/332.
Overgeleverd door At-Tirmidhi, nummer 3392, en Aboe Dawoed, nummer 5067. Zie ook: Sahih At-Tirmidhi, 3/142."
Wie dit drie keer zegt in de ochtend en drie keer in de avond, niets zal hem schaden. Overgeleverd door Aboe Dawoed, 4/323, nummer 5088; At-Tirmidhi, 5/465, nummer 3388; Ibn Majah, nummer 3869; en Ahmed, nummer 446. Zie: Sahih Ibn Majah, 2/332. De keten van overleveraars is als goed beoordeeld door de geleerde Ibn Baz (moge Allah tevreden zijn met hem) in Toehfat al-Akhyar, p. 39.
Wie dit drie keer zegt in de ochtend en drie keer in de avond, het is aan Allah verplicht om hem op de Dag der Opstanding tevreden te stellen. Overgeleverd door Ahmed, 4/337, nummer 18967; An-Nasa’i in ‘Amal Al-Yawm Wa Al-Layla, nummer 4; Ibn As-Soenni, nummer 68; Aboe Dawoed, 4/318, nummer 1531; en At-Tirmidhi, 5/465, nummer 3389. Het is als goed beoordeeld door de geleerde Ibn Baz (moge Allah tevreden zijn met hem) in Toehfat Al-Akhyar, p. 39.
Overgeleverd door Al-Hakim, die het als authentiek beoordeelde, en Ad-Dahabi stemde daarmee in (Al-Moestadrak, 1/545). Zie ook Sahih at-Targhib wat-Tarhib, 1/273.
Overgeleverd door Aboe Dawoed, 4/322, nummer 5084, met een authentieke keten van overlevering volgens Shoe'aib en Abd Al-Qaadir Al-Arna’oet in hun verificatie van Zaad al-Ma’aad, 2/373.
De vorige bron.
Overgeleverd door Ahmed, 3/406 en 407, nummers 15360 en 15563, en door Ibn as-Soennie in 'Amal Al-Yawm Wa Al-Layla, nummer 34. Zie ook: Sahieh al-Jaami’, 4/209.
Vorige referentie.
Wie dit honderd keer zegt in de ochtend en de avond, zal op de Dag des Oordeels niemand aantreffen die beter is gekomen dan hij, behalve iemand die hetzelfde heeft gezegd of meer heeft gezegd. Overgeleverd door Moslim, 4/2071, nummer 2692.
Overgeleverd door An-Nasa'i in "'Amal Al-Yawm Wa Al-Layla, nummer 24. Zie ook: Sahih al-Targhib wa al-Tarhib, 1/272, en Al-Toehfah al-Akhiyar van Ibn Baz (moge Allah hem genadig zijn) pagina 44. Zie ook het voordeel ervan op pagina 146, hadith nummer 255.
Overgeleverd door Aboe Dawoed, nummer 5077, Ibn Majah, nummer 3798, en Ahmed, nummer 8719. Zie ook: Sahih al-Targhib wa al-Tarhib, 1/270, Sahih Aboe Dawoed, 3/957, Sahih Ibn Majah, 2/331, en Zad al-Ma'ad, 2/377.
Wie dit honderd keer zegt op die dag, voor hem zal het gelijk zijn aan het bevrijden van tien slaven en er zal hem honderd goede daden worden geschreven en honderd slechte daden worden uitgewist. En het zal hem beschermen tegen de duivel op die dag tot de avond valt en niemand zal komen met iets beters dan wat hij heeft gezegd, tenzij iemand meer doet dan dit. Overgeleverd door Al-Boekhari, 4/95, nummer 3293 en Moeslim, 4/2071, nummer 2691.
Overgeleverd door Moslim, 4/2090, nummer 2726.
Overgeleverd door Ibn As-Soenni in 'Amal Al-Yawm Wa Al-Layla, nummer 54, en Ibn Majah, nummer 925. De keten is verbeterd door Abdoel Qadir en Shoe'aib Al-Arna'oet in de editie van "Zad al-Ma'ad", 2/375, en eerder genoemd in nummer 73.
Overgeleverd door Al-Boekhari met Al-Fath, 11/101, nummer 6307, en Moeslim, 4/2075, nummer 2702.
Wie dit drie keer zegt bij het begin van de avond, zal geen schade ondervinden van de gevaarlijke hitte die nacht.Overgeleverd door Ahmed, 2/290, nummer 7898, An-Nasa'i in 'Amal Al-Yawm Wa Al-Layla, nummer 590, Ibn As-Soenni, nummer 68. Zie: Sahih At-Tirmidhi, 3/187, en Sahih Ibn Majah, 2/266, en "Toehfat al-Akhiyar" van Ibn Baz, blz. 45.
((Wie tien keer op de ochtend en tien keer op de avond zegt, zal mijn voorspraak ontvangen op de Dag des Oordeels))Overgeleverd door At-Tabarani in twee authentieke ketens, zie: "Majma' Az-Zawa'id", 10/120, en "Sahih al-Targhib wa al-Tarhib", 1/273.
Al-Boekhari met al-Fath, 9/62, nummer 5017, en Moeslim, nummer 2192.
Soera Al-Baqara, vers 255: Wie het reciteert wanneer hij zich naar zijn bed begeeft, zal voortdurend onder bescherming van Allah staan en geen satan zal hem naderen tot de ochtend aanbreekt. (Al-Boekhari met Al-Fath, 4/487, nr. 2311).
Wie deze twee verzen gedurende de nacht reciteert, zullen zij voor hem voldoende zijn. (Al-Boekhari met Al-Fath, 9/94, nr. 4008, en Moeslim, 1/554, nr. 807; de twee verzen zijn uit Soerat Al-Baqara, 285-286).
((Wanneer een van jullie opstaat van zijn bed en er vervolgens naar terugkeert, laat hem het dan drie keer afstoffen met de zoom van zijn kleed en Allah's Naam noemen, want hij weet niet wat er na hem op terechtgekomen is. En als hij gaat liggen, laat hem dan zeggen:..." (einde van de overlevering). [Met betrekking tot 'de zoom van zijn kleed': het verwijst naar de rand die dicht bij de boord ligt]. (An-Nihaya fi Gharib Al-Hadith wa Al-Athar, "Sanif").
Overgeleverd door Al-Boekhari met Al-Fath, 11/126, nr. 6320; en Moeslim, 4/2084, nr. 2714.
Overgeleverd door Moeslim, 4/2083, nr. 2712; en Ahmed met een soortgelijke formulering, 2/79, nr. 5502.
((De Profeet (vrede zij met hem) legde, wanneer hij wilde gaan slapen, zijn rechterhand onder zijn wang en zei dan: …” (einde van de overlevering).
Overgeleverd door Aboe Dawoed met deze formulering, 4/311, nr. 5045; en At-Tirmidhi, nr. 3398. Zie ook: Sahieh At-Tirmidhi, 3/143, en Sahieh Aboe Dawoed, 3/240.
Overgeleverd door Al-Boekhari met Al-Fath, 11/113, nr. 6324; en Moeslim, 4/2083, nr. 2711.
Degene die dit zegt wanneer hij zich naar bed begeeft, zal dat beter voor hem vinden dan een dienaar. Overgeleverd door Al-Boekhari met Al-Fath, 7/71, nr. 3705; en Moeslim, 4/2091, nr. 2726.
Overgeleverd door Moeslim, 4/2084, nr. 2713.
Overgeleverd door Moeslim, 4/2085, nr. 2715.
Overgeleverd door Aboe Dawoed, 4/317, nr. 5067; en At-Tirmidhi, nr. 3629. Zie ook: Sahieh At-Tirmidhi, 3/142.
Overgeleverd door At-Tirmidhi, nr. 3404; en An-Nasai in 'Amal Al-Yawm Wa Layla, nr. 707. Zie ook: Sahieh Al-Jami', 4/255.
"Wanneer je je te ruste legt, verricht dan de wassing zoals je die voor het gebed doet, ga vervolgens op je rechterzijde liggen, en zeg: ..." (De hadieth).
De Profeet (vrede zij met hem) zei tegen degene die dit zei: ((Als je sterft, sterf je in een natuurlijke staat van overgave (fitra))) Overgeleverd door Al-Boekhari, met Al-Fath, 11/113, nr. 6313, en Moeslim, 4/2081, nr. 2710.
Dit wordt gezegd wanneer men zich 's nachts van de ene zijde naar de andere draait. Overgeleverd door Al-Hakim, die het als authentiek classificeerde, met goedkeuring van Ad-Dahabi, 1/540; eveneens overgeleverd door An-Nasai in 'Amal Al-Yawm Wa Layla, nr. 202, en Ibn As-Soenni, nr. 757. Zie ook: Sahih Al-Jami, 4/213.
Aboe Dawoed, 4/12, hadithnummer 3893; en At-Tirmidhi, hadithnummer 3528. Zie ook: Sahieh At-Tirmidhi, 3/171.
Overgeleverd door Moeslim, 4/1772, nummer 2261.
Overgeleverd door Moeslim, 4/1772, 1773, nummer 2261 en nummer 2262.
Overgeleverd door Moeslim, 4/1772, nummer 2261 en nummer 2263.
Overgeleverd door Moeslim, 4/1773, nummer 2261.
Overgeleverd door Moeslim, 4/1773, nummer 2263.
Overgeleverd door de vier auteurs van de Soenan, Ahmed, Ad-Darimi, en Al-Bayhaqi: Aboe Dawoed, nummer 1425; At-Tirmidhi, nummer 464; An-Nasa'i, nummer 1744; Ibn Majah, nummer 1178; Ahmed, nummer 1718; Ad-Darimi, nummer 1592; al-Haakim, 3/172; al-Bayhaqi, 2/209. Wat tussen haakjes staat is van Al-Bayhaqi. Zie: "Sahih At-Tirmidhi", 1/144; "Sahih Ibn Majah", 1/194; en "Irwaa Al-Ghaliel" van Al-Albani, 2/172.
Overgeleverd door de vier auteurs van de Soenan en Ahmed: Aboe Dawoed, nummer 1427; At-Tirmidhi, nummer 3566; An-Nasa'i, nummer 1746; Ibn Majah, nummer 1179; Ahmed, nummer 751. Zie: "Sahih At-Tirmidhi", 3/180; "Sahih Ibn Majah", 1/194; en "Irwaa'", 2/175.
Overgeleverd door Al-Bayhaqi in de "As-Soenan Al-Koebra", met een gecorrigeerde keten van overleveringen, 2/211. Sheikh Al-Albani verklaarde in "Irwaa Al-Ghaliel" dat dit een authentieke keten is, 2/170. Het is een uitspraak van Omar.
Overgeleverd door An-Nasa'i, 3/244, nummer 1734, en Ad-Darimi, 2/31, en anderen, met de toevoeging tussen haakjes van Ad-Darimi 2/31, nummer 2 en de keten van overlevering is authentiek. Zie: Zaad al-Ma'ad, geverifieerd door Shoe'aib Al-Arna'oet en 'Abd al-Qadir al-Arna'oet, 1/337 .1
Overgeleverd door Ahmed, 1/391, nummer 3712, en geverifieerd door Al-Albani in Silsilat Al-Ahadith As-Sahihah, 1/337.
Overgeleverd door Al-Boekhari, 7/158, nummer 2893. De boodschapper (vrede zij met hem) gebruikte deze smeekbede vaak. Zie: Al-Boekhari met al-Fath, 11/173, en later op bladzijde 89, nummer 137.
Al-Boekhari, 7/154, nummer 6345, en Moeslim, 4/2092, nummer 2730.
Aboe Dawoed, 4/324, nummer 5090, en Ahmed, 5/42, nummer 20430, en Al-Albani bevestigde de authenticiteit in Sahih Aboe Dawoed, 3/959.
At-Tirmidhi, 5/529, nummer 3505, en Al-Hakim bevestigde het en Ad-Dahabi was het ermee eens, 1/505, en zie: Sahih At-Tirmidhi, 3/168.
Overgeleverd door Aboe Dawoed, 2/87, nummer 1525, en Ibn Majah, nummer 3882, en zie: Sahih Ibn Majah, 2/335.
Overgeleverd door Aboe Dawoed, 2/89, nummer 1537, en geauthenticeerd door Al-Hakim en goedgekeurd door Ad-Dahabi, 2/142.
Overgeleverd door Aboe Dawoed, 3/42, nummer 2632, en At-Tirmidhi, 5/572, nummer 3584 en zie: Sahih At-Tirmidhi, 3/183.
Overgeleverd door Al-Boekhari, 5/172, nummer 4563.
Al-Boekhari in al-Adab Al-Moefrad, nummer 707 en authentiek bevonden door Al-Albani in Sahih Al-Adab Al-Moefrad, nummer 545.
Al-Boekhari in Al-Adab Al-Moefrad, nummer 708, en authentiek bevonden door Al-Albani in Sahih Al-Adab Al-Moefrad, nummer 546.
Moeslim, 3/1362, nummer 1742.
Moeslim, 4/2300, nummer 3005.
Al-Boekhari met Al-Fath, 6/336, nr. 3276, en Moeslim, 1/120, nr. 134.
Al-Boekhari met Al-Fath, 6/336, nummer 3276, en Moeslim, 1/120, nummer 134.
Moeslim, 1/119-120, nummer 134.
Soera Al-Hadid, vers 3. Aboe Dawoed, 4/329, nummer 5110, en Al-Albani beoordeelde het als authentiek in Sahih Aboe Dawoed, 3/962.
At-Tirmidhi, 5/560, nummer 3563 en zie: Sahih At-Tirmidhi, 3/180.
Al-Boekhari, 7/158, nummer 2893 en eerder op pagina 83, nummer 121.
Moeslim, 4/1729, nr. 2203, overgeleverd door Othman ibn Abi Al-'As (moge Allah tevreden zijn met hem), en daarin staat: "Ik deed dit en Allah verwijderde het van mij."
Overgeleverd door Ibn Hibban in zijn Sahih, nummer 2427 (al-Mawarid), en door Ibn As-Soenni, nummer 351, en Al-Hafidh zei: "Deze hadith is authentiek," en werd geauthenticeerd door Abd Al-Qader Al-Arna'oet in de Takhrij al-Azkar van An-Nawawi, bladzijde 106.
Aboe Dawoed, 2/86, nummer 1521, en At-Tirmidhi, 2/257, nummer 406, en Al-Albani verklaarde het authentiek in Sahih Aboe Dawoed, 1/283.
Aboe Dawoed, 1/203, nummer en Ibn Majah, 1/265, nummer 807 en zie de verklaring ervan onder nummer 31 en zie: Soera Al-Moe'minoen, verzen 97-98.
Moeslim, 1/291, nummer 389, en Al-Boekhari, 1/151, nummer 608.
Overgeleverd door Moeslim (1/539) onder nummer (780).
Overgeleverd door Al-Boekhari (4/126) met nummer (3293).
((De sterke gelovige is beter en geliefder bij Allah dan de zwakke gelovige, hoewel er in beiden goed is. Streef naar wat je ten goede komt en vraag hulp aan Allah en wees niet zwak. En als je iets overkomt, zeg dan niet: "Als ik dit of dat had gedaan, zou het zo of zo zijn gegaan," maar zeg: "Het lot van Allah en wat Hij wil, doet Hij." Want "als" opent de deur voor de duivel))Moeslim, 4/2052, nummer 2664.
Dit werd vermeld in de woorden van Al-Hasan Al-Basri. Zie: Toehfat Al-Mawdoed van Ibn al-Qayyim, p. 20, en hij verwees naar Ibn Al-Moendhir in Al-Awsat.
Dit werd gezegd door An-Nawawi in Al-Adhkar, p. 349, en zie: Sahih al-Adhkar van An-Nawawi, vertaald door Soelaim Al-Hilali, 2/713, en de volledige verwijzing in Adh-Dhikr wa Ad-Doe'a wa At-Tilawa bi Ar-Roeqaa van de auteur, 1/416.
Al-Boekhari, 4/119, nummer 3371, over de overlevering van Ibn Abbas (moge Allah tevreden zijn met hen beiden).
Al-Boekhari, met de toelichting, 10/118, nummer 3616.
((Er is geen moslim dienaar die een zieke bezoekt, wiens tijd nog niet gekomen is, en zeven keer zegt...)) (de hadith)... tenzij hij genezen wordt. Overgeleverd door At-Tirmidhi, nummer 2083, en Aboe Dawoed, nummer 3106. Zie ook: Sahih Tirmidhi, 2/210, en Sahih Al-Jami, 5/180.
Overgeleverd door At-Tirmidhi, nummer 969, en Ibn Majah, nummer 1442, en Ahmed, nummer 975. Zie ook: Sahih Ibn Majah, 1/244, en Sahih At-Tirmidhi, 1/286, evenals de authenticatie door Ahmed Shakir.
Al-Boekhari, 7/10, nr. 4435, en Moeslim, 4/1893, nr. 2444.
Al-Boekhari met al-Fath, 8/144, nummer 4449, en in de hadith wordt de siwak vermeld.
Overgeleverd door At-Tirmidhi, nummer 3430, en Ibn Majah, nummer 3794, en authentiek bevonden door Al-Albani. Zie: Sahih At-Tirmidhi, 3/152, en Sahih Ibn Majah, 2/317.
Aboe Dawoed, 3/190, nr. 3116, en zie: Sahih al-Jaami', 5/432.
Moeslim, 2/632, nummer 918.
Moeslim, 2/634, nummer 920.
Moeslim, 2/663, nr. 963.
Aboe Dawoed, nummer 3201, At-Tirmidhi, nummer 1024, An-Nasa’i, nummer 1985, Ibn Majah, 1/480, nummer 1498, en Ahmed, 2/368, nummer 8809, zie ook: Sahih Ibn Majah, 1/251.
Overgeleverd door Ibn Majah, nr. 1499, zie: Sahih Ibn Majah, 1/251, en gerapporteerd door Aboe Dawoed, 3/211, nr. 3202.
Overgeleverd door Al-Hakim, geverifieerd door hem en goedgekeurd door Ad-Dahabi, 1/359. Zie ook: Ahkam al-Jana’iz van Al-Albani, p. 125.
((Said ibn Al-Moesayyib zei: "Ik bad achter Aboe Hoeraira voor een jongen die nooit een zonde had begaan en ik hoorde hem zeggen...")) Hadith. Overgeleverd door Malik in Al-Moewatta, 1/288, Ibn Abi Shayba in Al-Moesannaf, 3/217, Al-Bayhaqi, 4/9 en de keten werd geverifieerd door Shoe'ayb al-Arna'oet in zijn editie van Sharh As-Soennah van Al-Baghawi, 5/357.
Zie: Al-Moeghni van Ibn Qoedamah, 3/416, en Ad-Doeroes Al-Moehimma li'Aammat Al-Oemmah van Sheikh Abdoel Aziz bin Abdoellah bin Baz (moge Allah genade met hem hebben) , p. 15.
Al-Hassan reciteerde de Fatiha voor het kind en zei... De hadith werd overgeleverd door Al-Baghawi in "Sharh As-Soenna", 5/357, en Abdel Razzaq, nummer 6588, en werd door Al-Boekhari genoemd in het boek over begrafenissen, Hoofdstuk 65 over het reciteren van de Fatiha voor de overledene, 2/113, vóór hadith nummer 1335.
Al-Boekhari, 2/80, nummer 1284, en Moeslim, 2/636, nummer 923.
Ad-Dkaar van An-Nawawi, blz.126.
Aboe Dawoed, 3/314, nr. 3215, met een authentieke keten van overlevering; Ahmed, nr. 5234, en nr. 4812 met de formulering: "In de naam van Allah en volgens de religie van de Boodschapper van Allah," met een authentieke keten van overlevering.
De Profeet (vrede zij met hem) stond wanneer hij klaar was met het begraven van de overledene bij hem en zei: "Vraag om vergiffenis voor jullie broer en verzoek om bevestiging voor hem; want hij wordt nu ondervraagd." Aboe Dawoed, 3/315, nr. 3223; Al-Hakim, die het authentiek verklaarde, en Ad-Dahabi stemde ermee in, 1/370.
Moeslim, 2/671, nr. 975, en Ibn Majah, 1/494, de tekst is van hem, nr. 1547 van Boeraida (moge Allah tevreden zijn met hem) en wat tussen de haakjes staat, is van de hadith van Aïsha (moge Allah tevreden zijn met haar) bij Moeslim, 2/671, nr. 975.
Overgeleverd door Aboe Dawoed, 4/326, nr. 5099, en Ibn Majah, 2/1228, nr. 3727, en zie: Sahih Ibn Majah, 2/305.
Moeslim en deze formulering komt van hem, 2/666, nummer 899, en Al-Boekhari, 4/76, nummer 3206, en nummer 4829.
Toen Abdellah Ibn Az-Zoebarr (moge Allah tevreden zijn met hem) de donder hoorde, stopte hij met praten en zei: ... de hadith. Al-Moewatta, 2/992, en Al-Albani zei in ''Sahih Al-Kalim At-Tayyieb, 157: "De keten is authentiek, maar de hadith is onderbroken."
Aboe Dawoed, 1/303, nr. 1171, en authentiek bevonden door Al-Albani in Sahih Aboe Dawoed, 1/216.
Al-Boekhari, 1/224, nummer 1014, en Moeslim, 2/613, nummer 897.
Aboe Dawoed, 1/305, nummer 1178, en Al-Albani heeft het als authentiek beoordeeld in Sahih Aboe Dawoed, 1/218.
Al-Boekhari met al-Fath, 2/518, nummer 1032.
Al-Boekhari, 1/205, nummer 846, en Moeslim, 1/83, nummer 71.
Al-Boekhari, 1/224, nummer 933, en Moeslim, 2/614, nummer 897.
At-Tirmidhi, 5/504, nummer 3451, en Darami met dezelfde tekst, 1/336, en zie: Sahih At-Tirmidhi, 3/157.
Overgeleverd door Aboe Dawoed, 2/306, nummer 2359 en anderen. Zie ook: Sahih al-Jami', 4/209.
Dit werd overgeleverd door Ibn Majah, 1/557, nummer 1753, van de smeekbede van Abdellah ibn Amr (moge Allah tevreden zijn met hem) en werd versterkt door Al-Hafidh in de verzameling van gebeden. Zie: Uitleg van de gebeden, 4/342.
Overgeleverd door Aboe Dawoed, 3/347, nummer 3767, en At-Tirmidhi, 4/288, nummer 1858. Zie ook: Sahih At-Tirmidhi, 2/167.
At-Tirmidhi, 5/506, nummer 3455. Zie ook: Sahih At-Tirmidhi, 3/158.
Uitgegeven door de verzamelaars van de Soennan, behalve An-Nasa'i: Aboe Dawoed, nr. 4025, At-Tirmidhi, nr. 3458, en Ibn Majah, nr. 3285. Zie ook: Sahih at-Tirmidhi, 3/159.
Al-Boekhari, 6/214, nummer 5458, en At-Tirmidhi met zijn woorden, 5/507, nummer 3456.
Moeslim, 3/1615, nr. 2042.
Moeslim, 3/1626, nr. 2055.
Soenan Aboe Dawoed, 3/367, nr. 3856, en Ibn Majah, 1/556, nr. 1747, en An-Nasa'i in 'Amal Al Yawm Wa Al Layla, nr. 296-298, en het werd vastgesteld dat hij (vrede zij met hem) dit zei wanneer hij het vasten verbrak bij het huis van iemand, en Al-Albani bevestigde de authenticiteit in Sahih Aboe Dawoed, 2/730.
Moeslim, 2/1054, nr. 1150.
Al-Boekhari met Al-Fath, 4/103, nr. 1894, en Moeslim, 2/806, nr. 1151.
Moeslim, 2/1000, nr. 1373.
Al-Boekhari, 7/125, nr. 5870.
At-Tirmidhi, 5/82, nr. 2741, en Ahmed, 4/400, nr. 19586, en Aboe Dawoed, 4/308, nr. 5040, en zie: Sahih At-Tirmidhi, 2/354.
Overgeleverd door de beheerders van de boeken van de Soenna, behalve An-Nasa’i: Aboe Dawoed, nr. 2130, At-Tirmidhi, nr. 1091, Ibn Majah, nr. 1905, An-Nasa’i in 'Aml Al-Yawm Wa Al-Layla, nr. 259, en zie: Sahih At-Tirmidhi, 1/316.
Aboe Dawoed, 2/248, nr. 2160, en Ibn Majah, 1/617, nr. 1918, zie ook: Sahih Ibn Majah, 1/324.
Al-Boekhari, 6/141, nummer 141, en Moeslim, 2/1028, nummer 1434.
Al-Boekhari, 7/99, nr. 3282, en Moeslim, 4/2015, nr. 2610.
At-Tirmidhi, 5/494, en 5/493, nummer 3432, en zie: Sahih At-Tirmidhi, 3/153.
At-Tirmidhi, nr. 3434, en Ibn Majah, nr. 3814, zie ook: Sahih At-Tirmidhi, 3/153, en Sahih Ibn Majah, 2/321, de tekst is zoals overgeleverd door At-Tirmidhi.
De overlevering van de Soenan: Aboe Dawoed, nummer 4858, en At-Tirmidhi, nummer 3433, en An-Nasa'i, nummer 1344. Zie ook Sahih At-Tirmidhi, 3/153. Het is bevestigd dat Aïsha (vrede zij met haar) zei: "De boodschapper van Allah (vrede zij met hem) zat nooit in een vergadering, reciteerde nooit de Koran en verrichtte nooit gebed zonder dat hij dit afsluit met de volgende woorden..." De hadith is overgeleverd door An-Nasa'i in 'Amal Al-Yawm Wa Al-Layla, nummer 308, en door Ahmed, 6/77, nummer 24486, en geverifieerd door Dr. Farouk Hamada in zijn editie van 'Amal Al-Yawm Wa Al-Layla van An-Nasa'i, pagina 273.
Ahmed, 5/82, nummer 20778, en An-Nasa'i in 'Amal Al-Yawm Wa Al-Laylah, pagina 218, nummer 421, bewerkt door Dr. Farouk Hamada.
Overgeleverd door At-Tirmidhi, nummer 2035, en zie: Sahih Al-Jami', 6244, en Sahih At-Tirmidhi, 2/200.
Zie: Hadith nummer 55 en Hadith nummer 56, op pagina 41 van dit boek.
Moeslim, 1/555, nr. 809, en in een versie: van het einde van de grot, 1/556, nr. 809.
Overgeleverd door Aboe Dawoed, 4/333, nummer 5125, en verbeterd door Al-Albani in Sahih Soennan Aboe Dawoed, 3/965.
Al-Boekhari met al-Fath, 4/288, nummer 2049.
Vermeld door An-Nasa'i in 'Amal al-Yawm Wa Al-Layla, pagina 300, en Ibn Majah, 2/809, nummer 2424, zie ook: Sahih Ibn Majah, 2/55.
Ahmed, 4/403, nummer 19606, Al-Adab Al-Moefrad van Al-Boekhari, nummer 716, zie ook: Sahih al-Jami', 3/233, en Sahih At-Targhib wa At-Tarhib van Al-Albani, 1/19.
Overgeleverd door Ibn As-Soenni, p. 138, nummer 278, zie ook: Al-Wabil As-Sayyib van Ibn Al-Qayyim, p. 304, uitgegeven door Basheer Mohammed 'Ayoen
Ahmed, 2/220, nummer 7045, en Ibn As-Soenni, nummer 292, en geauthenticeerd door Al-Albani in de reeks van authentieke hadiths, 3/54, nummer 1065. Wat betreft het goede voorteken, dit was iets dat de profeet (vrede zij met hem) beviel; daarom hoorde hij van een man een goed woord dat hem beviel, waarop hij zei: "We hebben jouw voorteken uit je mond genomen." Aboe Dawoed, nummer 3719, en Ahmed, nummer 9040, en geauthenticeerd door Al-Albani in de reeks van authentieke hadiths, 2/363, bij Aboe Shaikh in de ethiek van de profeet (vrede zij met hem), pagina 270.
Aboe Dawoed, 3/34, nummer 2602, en At-Tirmidhi, 5/501, nummer 3446. Zie ook: Sahih At-Tirmidhi, 3/156, de twee verzen uit Soera Az-Zoekhroef: 13-14.
Moeslim, 2/978, nummer 1342.
Al-Hakim, die het authentiek verklaarde en het bevestigde door Ad-Dahabi, 2/100, en Ibn As-Soenni, nummer 524, en Al-Hafidh die het verbeterde in Takhreej al-Azkar, 5/154. De geleerde Ibn Baz (moge Allah hem genadig zijn) zei: ‘En het werd overgeleverd door An-Nasa’i met een goede keten van overleveraars.’ Zie: Toehfat al-Akhiyar, bladzijde 37.
At-Tirmidhi, nummer 3428, Ibn Majah, 5/291, nummer 3860, Al-Hakim, 1/538, en de hadith werd als authentiek verklaard door Al-Albani in Sahih Ibn Majah, 2/21 en in Sahih At-Tirmidhi, 3/152."
Aboe Dawoed, 4/296, nummer 4982, en het werd als authentiek verklaard door Al-Albani in Sahih Aboe Dawoed, 3/941.
Ahmed, 2/403, nummer 9230, en Ibn Majah, 2/943, nummer 2825, en zie: Sahih Ibn Majah, 2/133.
Ahmed, 2/7, nummer 4524, en At-Tirmidhi, 5/499, nummer 3443, en het werd als authentiek verklaard door Al-Albani in Sahih Sunan al-Tirmidhi, 3/419.
At-Tirmidhi, nummer 3444, en zie: Sahih At-Tirmidhi, 3/155.
Al-Boekhari met de uitleg van Al-Fath, 6/135, nummer 2993.
Moeslim, 4/2086, nummer 2718. En de betekenis van "Sam'a Sami'oen" is: een getuige heeft getuigd van onze lof voor Allah, de Verhevene, vanwege Zijn zegeningen en goede beproeving. En de betekenis van "Samma'a Sami'oen" is: een luisteraar heeft mijn woorden overgebracht naar anderen, en zei hetzelfde om aan te geven dat men tijdens het ochtendduister moet herinneren en bidden. Uitleg van An-Nawawi op Sahih Moeslim, 17/39."
Moeslim, 4/2080, nummer 2709.
De Profeet (vrede zij met hem) zei dit wanneer hij terugkeerde van een militaire expeditie of bedevaart. Al-Boekhari, 7/163, nummer 1797, en Moeslim, 2/980, nummer 1344."
Overgeleverd door Ibn As-Soenni in 'Amal Al-Yawm Wa Al-Layla, nummer 377, Al-Hakim en als authentiek verklaard, 1/499, en Al-Albani in Sahih al-Jami', 4/201.
Overgeleverd door Moeslim, 1/288, nummer 384.
Aboe Dawoed, 2/218, nummer 2044, en Ahmed, 2/367, nummer 8804, en het werd als authentiek verklaard door Al-Albani in Sahih Aboe Dawoed, 2/383.
At-Tirmidhi, 5/551, nummer 3546, en anderen. Zie ook: Sahih al-Jami', 3/25, en Sahih At-Tirmidhi, 3/177.
An-Nasa'i, 3/43, nummer 1282, en al-Hakim, 2/421, en het werd als authentiek verklaard door Al-Albani in Sahih An-Nasa'i, 1/274.
Aboe Dawoed, nummer 2041 en het werd als authentiek verklaard door Al-Albani in Sahih Aboe Dawoed, 1/383.
Moeslim, 1/74, nummer 54, en Ahmed, nummer 1430, en de woorden zijn van hem. De tekst van Moeslim is: "Jullie zullen niet binnengaan...".
Al-Boekhari met Al-Fath, 1/82, nummer 28, overgebracht door 'Ammar (Moge Allah tevreden zijn met hem) met een onderbreking.
Al-Boekhari met Al-Fath, 1/55, nummer 12, en Moeslim, 1/65, nummer 39.
Al-Boekhari met al-Fath, 11/42, nummer 6258 en Moeslim, 4/1705, nummer 2163.
Al-Boekhari met Al-Fath, 6/350, nummer 3303, en Moeslim, 4/2092, nummer 2729.
Aboe Dawoed, 4/327, nummer 5105, en Ahmed, 3/306, nummer 14283, en geauthentiseerd door Al-Albani in Sahih Aboe Dawoed, 3/961.
(Overgeleverd door Al-Boekhari, met Al-Fath, 11/171, nummer 6361, en door Moeslim, 4/2007, nummer 396, met de variant: ((Maak het voor hem tot reiniging en genade)).
(Overgeleverd door Moeslim, 4/2296, nummer 3000)
Overgeleverd door Al-Boekhari in Al-Adab Al-Moefrad, nummer 761 en geauthenticeerd door Al-Albani in Sahih Al-Adab Al-Moefrad, nummer 585. Wat tussen de haakjes staat is een toevoeging van Al-Bayhaqi in Sha'b Al-Iman, 4/228, via een andere overlevering.
Overgeleverd door Al-Boekhari met Al-Fath, 3/408, nummer 1549, en Moeslim, 2/841, nummer 1184.
Overgeleverd door Al-Boekhari met al-Fath, 3/476, nummer 1613, en de ‘ding’ die hij bedoelt was de midhaar. Zie Al-Boekhari met al-Fath, 3/472.
Overgeleverd door Aboe Dawoed, 2/179, nummer 1894, en Ahmed, 3/411, nummer 15398, en Al-Baghawi in Sharh As-Soenna, 7/128, en geauthenticeerd door Al-Albani in Sahih Aboe Dawoed, 1/354, en het vers uit Soera al-Baqarah, 201.
Moeslim, 2/888, nummer 1218, en het vers uit Soera Al-Baqara, nummer 158.
At-Tirmidhi, nummer 3585, en geclassificeerd als authentiek door Al-Albani in Sahih At-Tirmidhi, 3/184 en in de keten van authentieke overleveringen, 4/6.
Moeslim, 2/891, nummer 1218.
Al-Boekhari met Al-Fath, 3/583, nummer 1751, zie ook zijn uitspraak daar. En Moeslim, nummer 1218.
Al-Boekhari met Al-Fath, 1/210, 390, 414, nr. 115, nr. 3599, nr. 6218, en Moeslim, 4/1857, nr. 1674.
Al-Boekhari met Al-Fath, 8/441, nummer 4741, en nummer 3062, At-Tirmidhi, nummer 2180, en An-Nasa'i in Al-Koebra, nummer 11185, en zie: Sahih At-Tirmidhi, 2/103, en 2/235, en Moesnad Ahmed, 5/218, nummer 21900.
Overgeleverd door de mensen van de Soenna, behalve An-Nasa'i: Aboe Dawoed, nummer 2774, At-Tirmidhi, nummer 1578, en Ibn Majah, nummer 1394. Zie: Sahih Ibn Majah, 1/233, en Irwaa Al-Ghaliel, 2/226.
Moeslim, 4/1728, nr. 2202.
Moesnad Ahmed 4/447, nr. 15700, Ibn Majah, nr. 3508, Malik, 3/118-119, en Sahih Al-Albani in Sahih al-Jami 1/212, en zie de verificatie van Zad Al-Ma'ad door Al-Arna'oet 4/170.
Al-Boekhari met al-Fath, 6/381, nr. 3346 en Moeslim, 4/2208, nr. 2880.
Moeslim, 3/1557, nr. 1967, en Al-Bayhaqi, 9/287, en wat tussen de haakjes staat is overgeleverd door Al-Bayhaqi, 9/287 en anderen, de laatste zin is naar de betekenis overgenomen uit de overlevering van Moeslim.
Ahmed, 3/419, nr. 15461, met een authentieke keten van overleveringen, en Ibn As-Soenni, nr. 637, en de keten van overleveringen werd geverifieerd door Al-Arna'oet in zijn kritiek op de Tahawiyya, p. 133, en zie: Majma' Az-Zawa'id, 10/127.
Al-Boekhari met de Fath, 11/101, nummer 6307.
Moeslim, 4/2076, nummer 2702.
Aboe Dawoed, 2/85, nummer 1517, en At-Tirmidhi, 5/569, nummer 3577, en Al-Hakim, die het authenticiteit bevestigde en Ad-Dahabi het goedkeurde, 1/511, en Al-Albani, zie: Sahieh At-Tirmidhi, 3/182, en Jaami' al-Usoel li Ahadieth Ar-Rasoel (vrede zij met hem), 4/389-390, met de editie van Al-Arna'oet.
At-Tirmidhi, nummer 3579, en An-Nasa'i, 1/279, nummer 572, en Al-Hakim, 1/309, zie: Sahieh At-Tirmidhi, 3/183, en Jaami' Al-Oessoel met de editie van Al-Arna'oet, 4/144.
Moeslim, 1/350, nummer 482.
Overgeleverd door Moeslim, 4/2075, nummer 2702. Ibn Al-Athier zei: "Er komt soms een mist over mijn hart", wat betekent dat het bedekt of overschaduwd wordt en dit verwijst naar vergeetachtigheid; omdat hij (vrede zij met hem) voortdurend in de herinnering aan Allah, de nabijheid van Allah en het voortdurend waakzaam zijn was. Wanneer hij iets vergat of een moment van vergeetachtigheid had, beschouwde hij het als een zonde voor zichzelf en zo wendde hij zich tot het vragen om vergiffenis. Zie: Jaami' Al-Oesoel, 4/386.
Al-Boekhari, 7/168, nummer 6405, en Moeslim, 4/2071, nummer 2691. Zie ook: De verdiensten van degene die dit honderd keer zegt bij het opstaan en bij het avond worden, bladzijde 65 van dit boek.
Overgeleverd door Al-Boekhari, 7/67, nummer 6404, en door Moeslim met dezelfde woorden, 4/2071, nummer 2693, en zie: de voorkeur voor wie het honderd keer per dag zegt: Doe'a, nummer 93, p. 66 van dit boek.
Overgeleverd door Al-Boekhari, 7/168, nummer 6404, en door Moeslim, 4/2072, nummer 2694.
Overgeleverd door Moeslim, 4/2072, nummer 2695.
Moeslim, 4/ 2073, nummer 2698.
Overgeleverd door At-Tirmidhi, 5/511, nummer 3464, en Al-Hakim, 1/501, die het als authentiek verklaarde en Ad-Dahabi bevestigde, zie: Sahih al-Jami, 5/531, en Sahih At-Tirmidhi, 3/160.
Sahih Al-Boekhari met Fath, 11/213, nummer 4206, en Sahih Moeslim, 4/2076, nummer 2704.
Sahih Moeslim, 3/1685, nummer 2137.
Sahih Moeslim, 4/2072, nummer 2696, en Aboe Dawoed voegde toe, 1/220, nummer 832: Toen de bedoeïen wegliep, zei de Profeet (vrede zij met hem): ((Hij heeft zijn handen gevuld met goedheid))
Moeslim, 4/ 2073, nr. 3697, en in een andere overlevering van hem: ((Want deze verzamelen voor jou je wereld en je hiernamaals)).
At-Tirmidhi, 5/ 462, nr. 3383, Ibn Majah, 2/ 1249, nr. 3800, Al-Hakim, 1/503, geverifieerd en goedgekeurd door Ad-Dahabi, en zie: Sahih al-Jami, 1/362.
Ahmed, nr. 513, volgens de ordening van Ahmed Shakir en zie: Al-Majma‘ Az-Zawa’ied, 1/297, en Ibn Hajar verwees in Al-Boeloegh Al-Maram van de overlevering van Aboe Sa’ied naar An-Nasa’i [in Al-Koebra], nr. 10617, en hij zei: geverifieerd door Ibn Hibban, [nr. 840], en al-Hakim [1/541].
Overgeleverd door Aboe Dawoed met zijn woorden, 2/81, nummer 1502, en At-Tirmidhi, 5/521, nummer 3486. Zie: Sahih Al-Jami', 4/271, nummer 4865, en Authentiek bevestigd door Al-Albani in Sahih Soenan Aboe Dawoed, 1/411.
Al-Boekhari met Al-Fath, 10/88, nr. 5623, en Moeslim, 3/1595, nr. 2012.
Het oorspronkelijke werk is gedrukt en lof zij Allah, met een uitgebreide uitleg van de overleveringen in vier delen. De Hisn van de Moslim bevindt zich in het eerste en tweede deel daarvan.